privacy gedragscode

PRIVACYGEDRAGSCODE SECTOR

PARTICULIERE ONDERZOEKSBUREAUS

van de

Vereniging van Particuliere

Beveiligingsorganisaties

Versie 6 mei 2009

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties

INHOUDSOPGAVE

1 Overwegingen 1

2 Doel en werkingssfeer gedragscode 2

3 Begripsbepalingen 4

4 Omschrijving van de sector 8

4.1 De sector particuliere onderzoeksbureaus 8

4.2 Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus 9

4.3 Opdrachten- c.q. voorvallenregistratie en de toepasselijkheid van de WBP 10

5 Algemene principes van gegevensverwerking 12

5.1 In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP) 12

5.2 Doeleinden van verwerking van persoonsgegevens (uitwerking artikel 7 WBP) 12

5.3 Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP) 15

5.4 Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP) 17

5.5 Bewaartermijn (uitwerking artikel 10 WBP) 19

5.6 Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP) 21

5.7 Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP) 21

5.8 Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP) 22

6 Bijzondere persoonsgegevens 24

7 Methoden van gegevensvergaring 26

7.1 Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen 27

7.2 Betreden van niet openbare (besloten) plaatsen 28

7.3 Interviewen van personen 29

7.4 Observatie 32

7.5 Heimelijke observatie door middel van camera’s 33

7.6 Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen 36

7.7 Vertrouwelijke communicatie 37

7.8 Proefaankoop en pseudoklant 39

7.9 Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en –middelen 41

8 Informatieverstrekking aan de onderzochte perso(o)n(en) 42

8.1 Informatieverstrekking aan de onderzochte persoon (uitwerking artikel 33, 34 en 43

WBP) 42

9 Rechten van de onderzochte perso(o)n(en) 46

9.1 Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43

WBP) 46

9.2 Correctie en verwijdering (uitwerking artikel 36 WBP) 47

9.3 Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP) 48

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties

10 Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie 49

11 Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij het CBP en de rechter 50

12 Naleving gedragscode 51

13 Openbaarheid gedragscode 52

14 Wijzigingen gedragscode 52

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 1

1 Overwegingen

1.1 Particuliere onderzoeksbureaus houden zich op commerciële basis bezig met het verrichten van

feitenonderzoek in zaken met een privaatrechtelijke, bestuursrechtelijke of strafrechtelijke

achtergrond. Voor een belangrijk deel heeft dit onderzoek als doel het verzamelen van materiaal dat

als bewijs kan dienen in een gerechtelijke procedure. Voor een ander deel is het doel het verzamelen

van gegevens die van belang zijn voor opdrachtgevers bij het nemen van (pre)contractuele

beslissingen;

1.2 Het handelen van particuliere onderzoeksbureaus moet in overeenstemming zijn met hetgeen van

een particulier onderzoeksbureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Deze norm

is voor particuliere onderzoeksbureaus expliciet vastgelegd in artikel 14 aanhef en onder e van de

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna te noemen: Wpbr). Naast deze

specifieke voor particuliere onderzoeksbureaus geldende norm gelden ook de algemeen geldende

normen van zorgvuldig (maatschappelijk) handelen of nalaten zoals die zijn vastgelegd in artikel

6:162 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet Bescherming Persoonsgegevens (hierna te noemen:

WBP);

1.3 Particuliere onderzoeksbureaus hebben enerzijds te maken met de belangen van de opdrachtgever en

anderzijds met de belangen van de onderzochte perso(o)n(en). De belangen van de laatste(n) zullen

doorgaans anders liggen dan de belangen van de opdrachtgever. Het feitenonderzoek maakt in

voorkomende gevallen in meer of mindere mate inbreuk op grondrechten van de onderzochte

perso(o)n(en);

1.4 Particuliere onderzoeksbureaus verwerken in het kader van hun bedrijfsvoering persoonsgegevens en

vinden het belangrijk dat met die persoonsgegevens zorgvuldig wordt omgegaan en dat deze

persoonsgegevens vertrouwelijk worden behandeld;

1.5 De WBP waarborgt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen met

betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens;

1.6 De WBP bepaalt dat de verantwoordelijke zijn geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking

van persoonsgegevens moet melden bij het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna te

noemen: CBP). Indien sprake is van heimelijke waarneming stelt het CBP op basis van de melding

een voorafgaand onderzoek in. Particuliere onderzoeksbureaus verwerken als verantwoordelijke als

regel persoonsgegevens van onderzochte personen op grond van eigen waarneming zonder dat deze

daarvan noodzakelijkerwijs voorafgaand aan de verwerking op de hoogte zijn gesteld. Deze

meldingsplicht gevolgd door een voorafgaand onderzoek geldt eveneens voor een niet

geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (bestand) indien van dergelijke heimelijke

waarneming sprake is;

1.7 In het kader van hun opdracht maken particuliere onderzoeksbureaus gebruik van diverse

onderzoeksmethoden en –middelen. Aan de algemeen geldende wetten, de bestaande jurisprudentie

en achtergrondstudies van het CBP kunnen normen worden ontleend over wat wel of niet is

toegestaan. Hoewel deze normen richtinggevend zijn voor wat wel of niet is toegestaan, zijn deze

normen over het algemeen onvoldoende specifiek voor de sector particuliere onderzoeksbureaus;

1.8 Een particulier onderzoeksbureau wordt als verantwoordelijke aangemerkt in de zin van de WBP en

kan in rechte worden aangesproken op hun handelen of nalaten door personen die van mening zijn

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 2

dat jegens hen onrechtmatig is gehandeld, dit onverlet de eventuele aansprakelijkheid van de

opdrachtgever in geval van onzorgvuldig handelen of nalaten door een particulier onderzoeksbureau.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 2

2 Doel en werkingssfeer gedragscode

De gedragscode:

· Is bindend voor advies-, recherche- en schadeonderzoeksbureaus die lid zijn van de

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties (hierna te noemen: VPB). De

gedragscode bevat richtlijnen hoe in juridische zin moet worden omgegaan met

persoonsgegevens die in het kader van de dienstverlening aan opdrachtgevers verwerkt

worden;

· draagt bij aan de doorzichtigheid van door de sector particuliere onderzoeksbureaus

gehanteerde onderzoeksmethoden en in te zetten onderzoeksmiddelen;

· geeft aan wanneer de onderzochte persoon op de hoogte gesteld wordt van het feit dat

tegen hem/haar een onderzoek is/wordt ingesteld en wat aan de onderzochte persoon

wordt medegedeeld;

· biedt aanknopingspunten voor het CBP om te beoordelen of de verwerking van de

persoonsgegevens door de sector particuliere onderzoeksbureaus volgens de geldende

wet- en regelgeving geschiedt.

Op basis van artikel 25 WBP heeft de VPB aan het CBP gevraagd te beoordelen of deze

gedragscode een juiste uitwerking van de WBP en/of andere wettelijke bepalingen vormt, voor

wat betreft de verwerking van persoonsgegevens door particuliere onderzoeksbureaus.

De VPB is een representatieve werkgeversorganisatie, waarin bedrijven zijn aangesloten die

vallen onder de werkingssfeer van de Wpbr. Onder de Wpbr vallen beveiligingsbedrijven,

bedrijfsbeveiligingsdiensten, particuliere alarmcentrales, geld- en waardetransportbedrijven en

particuliere onderzoeksbureaus. De VPB is een voortzetting in ruimer verband van de in 1939

opgerichte vereniging van nachtveiligheidsdiensten en bewakingsbedrijven. De VPB is de

representant in alle overheids- en bedrijfsorganen die met beveiliging te maken hebben. De leden

zijn, afhankelijk van hun bedrijfsactiviteiten, onderverdeeld in de volgende secties:

- manbewaking;

- geld- en waardetransporteurs;

- particuliere onderzoeksbureaus.

Qua aantallen medewerkers die in dienst zijn van particuliere onderzoeksbureaus die lid zijn van

de VPB en die een vergunning hebben als recherchebureau van het Ministerie van Justitie,

vertegenwoordigde de VPB in 2002 40% van het aantal medewerkers van de recherchebureaus

waarvoor de Minister van Justitie een vergunning heeft afgegeven. Er zijn geen andere

brancheverenigingen of overkoepelende organen die de belangen van particuliere

onderzoeksbureaus behartigen.

Voor de privacygedragscode geldt als uitgangspunt dat zij van toepassing is op de sectie

particuliere onderzoeksbureaus van de VPB voor zover de particuliere onderzoeksbureaus een

vergunning hebben als recherchebureau in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder f van de

Wpbr. Bij de beoordeling van de vraag of recherchewerkzaamheden worden verricht zijn de

feitelijke werkzaamheden die worden verricht bepalend. De sectie particuliere

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 3

onderzoeksbureaus van de VPB, in deze gedragscode verder te noemen sector particuliere

onderzoeksbureaus, telt 32 leden.

Voor de periode van 13 januari 2004 – 13 januari 2009 heeft het CBP geoordeeld dat de in de

privacygedragscode opgenomen regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector

particuliere onderzoeksbureaus, een juiste uitwerking vormen van de WBP of van andere

wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens.

Door een besluit van de Minister van Justitie bindt de privacygedragscode niet alleen de bij de

VPB aangesloten particuliere onderzoeksbureaus. De Minister van Justitie heeft op 1 juni 2004 in

artikel 23a van de Regeling Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus bepaald dat

recherchebureaus die geen lid zijn van de VPB een privacygedragscode moeten hebben die

identiek is aan die van de VPB. De privacygedragscode is daarmee algemeen verbindend

verklaard voor alle particulier onderzoeksbureaus die een vergunning behoeven als bedoeld in de

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Ook buiten recherchebureaus worden recherchewerkzaamheden verricht door andere personen en

organisaties. Daarbij kan gedacht worden aan bedrijfsrecherche- cq. onderzoeksafdelingen van

bedrijven, overheidsinstellingen (bureaus interne veiligheid of integriteit) en zelfstandige

bestuursorganen. Voor de recherchewerkzaamheden van deze interne onderzoeksafdelingen kan

de privacygedragscode een adequate normering bieden. Er worden immers (abstracte) bepalingen

uit de WBP geconcretiseerd, waardoor duidelijker wordt hoe deze organisaties zich dienen te

gedragen. Het geeft deze organisaties een hoge mate van zekerheid over wetconform handelen.

Met het oog op het afgeven van een nieuwe goedkeurende verklaring door het CBP heeft de VPB

in 2008 de privacygedragscode kritisch bekeken op toepasbaarheid, werking en actualiteit. Op

basis daarvan is een aantal wijzingen aangebracht om de privacygedragscode nog beter te doen

aansluiten bij de praktijk en de juridische actualiteit van het particulier onderzoek. Het CBP heeft

de verbeterde privacygedragscode opnieuw beoordeeld en op 21 oktober 2009 verklaard dat de in

de privacygedragscode opgenomen regels, gelet op de bijzondere kenmerken van de sector

particuliere onderzoeksbureaus, een juiste uitwerking vormen van de WBP of van andere

wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens. De verklaring van het

CBP is gepubliceerd in de Staatscourant van 28 oktober 2009.

De gedragscode geldt van 21 oktober 2009 tot uiterlijk 21 oktober 2014.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 4

3 Begripsbepalingen

In deze gedragscode wordt verstaan onder:

Achtergrondonderzoeken: de aanduiding van het type onderzoek, dat zich richt op het

vaststellen van de achtergrond van natuurlijke personen (zoals

sollicitanten, klanten en zakenpartners) en rechtspersonen,

waarmee de opdrachtgever voornemens is om een contractuele

relatie aan te gaan of te behouden. Achtergrondonderzoeken (in

het Engels “backgroundscreening”) kennen verschillende

verschijningsvormen, waaronder het pre employment-onderzoek.

Vaak is een antecedentenonderzoek onderdeel van het achtergrondonderzoek;

Antecedenten: gegevens uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie die aan

opdrachtgevers van achtergrondonderzoeken verstrekt worden:

de aanduiding van de aard van het onderzoek dat jegens de

onderzochte persoon is ingesteld, de data en/of de periode

waarin het onderzochte voorval zich heeft afgespeeld, het

resultaat van het onderzoek, indien mogelijk het standpunt van

de onderzochte persoon over de gedraging en voor zover bekend

de maatregelen die de opdrachtgever naar aanleiding van de

onderzoeksrapportage van het particulier onderzoeksbureau

heeft genomen, alsmede - voor zover bekend - de stand van

zaken dan wel de uitkomst van een procedure naar aanleiding

van het voorval;

Bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit

geheel van gegevens gecentraliseerd of verspreid is op een

functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde

criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende

personen (artikel 1 lid 1 aanhef en onder c WBP);

Bijzondere

persoonsgegevens: persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging,

ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele

leven, het lidmaatschap van een vakvereniging alsmede

strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over

onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd

verbod naar aanleiding van dat gedrag (artikel 16 WBP);

Interview: een gesprek van een of meer particuliere onderzoekers met een

persoon met het doel om aanwijzingen te vergaren over de al dan

niet vermeende betrokkenheid van deze persoon of een derde bij

een te onderzoeken gedraging of om informatie te vergaren over

iemand in het kader van achtergrondonderzoeken;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 5

Observatie: een methode van gegevensvergaring, waarbij bepaalde personen

en/of objecten en/of situaties al dan niet met technische

hulpmiddelen worden gadegeslagen ten einde informatie te

vergaren;

Onderzochte persoon: een natuurlijke persoon die als subject van onderzoek betrokken

is of is geweest bij een onderzoeksopdracht dat een particulier

onderzoeksbureau in behandeling heeft of heeft gehad. Deze

persoon wordt aangemerkt als ‘betrokkene’ in de zin van artikel

1 aanhef en onder f van de WBP;

Ontvanger: degene aan wie de persoonsgegevens worden verstrekt (in de zin

van artikel 1 aanhef en onder h WBP). In ieder geval zal de

opdrachtgever in de regel ontvanger zijn.

Opdrachten- c.q.

voorvallenregistratie: het geheel van opdrachten c.q. voorvallen die in behandeling zijn

of zijn geweest van een particulier onderzoeksbureau en die al

dan niet geautomatiseerd volgens bepaalde criteria toegankelijk

zijn;

Opdrachtgever: degene voor wie een particulier onderzoeksbureau recherchewerkzaamheden

verricht of verricht heeft in verband met een

eigen belang van deze of een derde, waarbij de recherchewerkzaamheden

betrekking hebben op een (of meer) bepaalde

natuurlijke en/of (rechts)pers(o)on(en);

Particulier onderzoeker: een medewerker van een particulier onderzoeksbureau die

recherchewerkzaamheden uitvoert;

Particulier onderzoeksbureau:

een recherchebureau of een andere organisatie dat/die recherchewerkzaamheden

uitvoert;

Persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare

natuurlijke persoon (artikel 1 aanhef en onder a WBP);

Pre employmentonderzoek: het onderzoek dat in opdracht van een werkgever wordt

ingesteld, alvorens deze een dienstbetrekking aangaat met een

sollicitant, dan wel een persoon in diens bedrijf werkzaamheden

laat verrichten. Een pre employmentonderzoek kan onder meer

bestaan uit het controleren van identiteitsgegevens, het

controleren van woonadresgegevens, het verifiëren van het

opgegeven arbeidsverleden, het raadplegen van openbare

bronnen (zoals de bestanden van de Kamer van Koophandel en

Fabrieken en het Kadaster), het controleren van de echtheid van

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 6

diploma’s en getuigschriften, het interviewen van voormalige

werkgevers, referenten en andere personen, waaronder de

sollicitant zelf en het instellen van een antecedentenonderzoek.

De omvang van het onderzoek door het particulier onderzoeksbureau

wordt afgestemd met de opdrachtgever;

Recherchebureau: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening

van een beroep of bedrijf met winstoogmerk recherchewerkzaamheden

verricht, voor zover die werkzaamheden worden

verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen

belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer

bepaalde natuurlijke personen (artikel 1 lid 1 aanhef en onder f

Wpbr);

Recherchewerkzaamheden: het vergaren en analyseren van gegevens als bedoeld in artikel 1

lid 1 aanhef en onder e Wpbr;

Strafrechtelijke

persoonsgegevens: gegevens die betrekking hebben op zowel veroordelingen als op

min of meer gegronde verdenkingen van strafbare feiten,

alsmede gegevens omtrent de toepassing van het formele

strafrecht. Veroordelingen betreffen gegevens waarbij de rechter,

al dan niet onherroepelijk, strafrechtelijk gedrag heeft

vastgesteld. Bij min of meer gegronde verdenkingen gaat het om

concrete aanwijzingen dat iemand zich schuldig heeft gemaakt

aan een strafbaar feit. Bij gegevens omtrent de toepassing van

het formele strafrecht kan gedacht worden aan het gegeven dat

iemand gearresteerd is of dat tegen hem proces-verbaal is

opgemaakt wegens een bepaald vergrijp;

Verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het

bestuursorgaan dat, alleen of te samen met anderen, het doel van

en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens

vaststelt (artikel 1 aanhef en onder d WBP). In het kader van

deze gedragscode is dat het particulier onderzoeksbureau;

Vertrouwelijke

communicatie: de uitwisseling van berichten en gegevens tussen twee of meer

personen, waarbij de bij de gegevens- en berichtenuitwisseling

betrokken personen de verwachting hebben dat hun

communicatie niet door anderen wordt opgenomen, afgeluisterd

en/of wordt ingezien of dat anderen daarvan op andere wijze

kennis van nemen. Onder vertrouwelijke communicatie valt

bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, berichtenuitwisseling

via e-mail of gesprekken die over de telefoon

gevoerd worden. Het opnemen van vertrouwelijke communicatie

houdt in het opnemen van die woorden of signalen die worden

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 7

uitgewisseld. Het houdt niet in het maken van afbeeldingen van

personen die een gesprek voeren, zonder dat het gesprek wordt

opgenomen of opgevangen;

Verwerking van

persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot

persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen,

vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen,

raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van

doorzending, verspreiding of enige andere vorm van

terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband

brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van

gegevens (artikel 1 aanhef en onder b WBP).

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 8

4 Omschrijving van de sector

4.1 De sector particuliere onderzoeksbureaus

De sector particuliere onderzoeksbureaus in de zin van deze gedragscode bestaat uit organisaties

die als recherchebureau in de zin van art. 1 lid 1 onder f van de Wpbr worden aangemerkt èn die

lid zijn van de VPB. Zij verrichten in opdracht recherchewerkzaamheden in de zin van artikel 1

lid 1 onder e van de Wpbr. Het uitvoeren van recherchewerkzaamheden bestaat veelal uit

feitenonderzoek. Als ‘verlengstuk van de opdrachtgever’ verwerkt een particulier onderzoeksbureau

onder eigen verantwoordelijkheid en op onpartijdige basis persoonsgegevens.

Een niet limitatieve opsomming van recherchewerkzaamheden waarbij persoonsgegevens

worden verwerkt zijn:

· Het onderzoeken van handelingen in strijd met concurrentiebedingen, relatiebedingen,

geheimhoudingbepalingen;

· het onderzoeken van gedragingen in strijd met ziekteverzuimbepalingen en/of andere vormen

van werkverzuim;

· het uitvoeren van handelingen in het kader van achtergrondonderzoeken

(backgroundscreening);

· het traceren van vermiste personen en/of goederen en/of debiteuren;

· het verzamelen van gegevens die van belang zijn voor degene die alimentatieplichtig is;

· het onderzoeken van allerlei soorten van fraude (zoals verzekeringsbedrog, declaratiefraude,

oplichting en corruptie) en

· het onderzoeken van laakbare handelingen door werknemers in de arbeidsverhouding (zoals

diefstal, verduistering, misbruik van bedrijfsmiddelen en -faciliteiten, onbevoegd uitoefenen

van nevenfuncties en handelen of nalaten in strijd met gedragscodes of contractuele

verplichtingen).

De gegevens die een particulier onderzoeksbureau verkrijgt in verband met het aanvaarden van

een onderzoeksopdracht worden verwerkt in een onderzoeksdossier. Hierin worden onder andere

opgeslagen:

· Karakteristieken van de onderzoeksopdracht;

· een omschrijving van het te onderzoeken voorval respectievelijk de te onderzoeken feiten

en/of de te onderzoeken persoon;

· de persoonlijke gegevens van degenen die bij het voorval of de feiten zijn of kunnen zijn

betrokken;

· de onderzoeksmaatregelen die naar aanleiding van de opdracht zijn genomen;

· de redenen waarom voor een bepaalde onderzoeksmethode of -middel is gekozen;

· de bevindingen van het onderzoek;

· de op het onderzochte voorval betrekking hebbende gegevensdragers - voorzover niet

aan de opdrachtgever gegeven c.q. teruggegeven - waaronder foto’s, video- en

geluidsbanden en NAW-gegevens van personen die gelieerd zijn aan de onderzochte

persoon zoals opdrachtgevers, advocaten, partners en getuigen.

Na analyse van de gegevens wordt ten behoeve van de opdrachtgever een onderzoeksrapport

opgesteld.

Het onderzoeksrapport wordt schriftelijk (en onder vermelding van ‘persoonlijk’ en/of

‘vertrouwelijk’) aan de opdrachtgever verstrekt, tenzij anders is/wordt overeengekomen. Er

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 9

worden in de regel geen onderzoeksrapporten uitgebracht, voordat alle onderzoekswerkzaamheden

zijn afgerond. Dit om te voorkomen dat aan het voorlopige onderzoeksrapport

een andere betekenis wordt toegekend dan aan het eindrapport. Het onderzoeksdossier (waar een

afschrift van het onderzoeksrapport deel van uitmaakt) wordt door het particulier

onderzoeksbureau bewaard voor het geval de opdrachtgever of anderen (bijvoorbeeld de justitiële

autoriteiten of de rechterlijke macht) na verloop van tijd nog een beroep doen op de in het dossier

opgenomen gegevens.

4.2 Opdrachtgevers van de sector particuliere onderzoeksbureaus

De sector particuliere onderzoeksbureaus verricht vanuit een eigen commercieel belang

recherchewerkzaamheden voor verschillende soorten opdrachtgevers. Daarbij valt te denken aan

verzekeraars, privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen (al dan niet in de

hoedanigheid van werkgever) en aan particulieren. Voor wat betreft de mogelijkheden om

onderzoek te doen treedt een particulier onderzoeksbureau op als verlengstuk van de

opdrachtgever en gebruikt in feite die onderzoeksmogelijkheden waarover de opdrachtgever

beschikt. Hieronder wordt beschreven waarom opdrachtgevers een gerechtvaardigd belang

kunnen hebben om recherchewerkzaamheden te laten uitvoeren door de sector particuliere

onderzoeksbureaus.

In veel organisaties (ondernemingen en overheidsinstellingen) worden ordevoorschriften, -regels

en/of gedragsregels gegeven, waar personeelsleden, personeel van derden en bezoekers zich aan

dienen te houden. Daarbij kan gedacht worden aan regels voor het gebruik van e-mail, internet,

interne voorschriften over vergoedingen en de wijze van declareren, voorschriften over

ziekteverzuim, nevenfuncties, anti-concurrentiebepalingen en voorschriften over het buiten de

organisatie brengen van bedrijfseigendommen. Voor personeelsleden vloeit de bevoegdheid van

de werkgever om ordevoorschriften te geven bijvoorbeeld voort uit artikel 7:660 van het

Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).

Voor bezoekers van niet-openbare plaatsen vloeit de bevoegdheid van de rechthebbende om

regels te stellen bijvoorbeeld voort uit het eigendomsrecht van artikel 5:1 van het BW. Het

eigendomsrecht impliceert de bevoegdheid van de rechthebbende tot het maken van afspraken

met anderen over de voorwaarden tot het betreden van deze niet-openbare plaatsen.

In het verlengde van regelstelling ligt de bevoegdheid en soms de verplichting van de werkgever

respectievelijk de rechthebbende om te controleren of de regels worden nageleefd. In geval van

een vermoeden dat iemand de voorschriften niet naleeft en arbeidsrechtelijke of andere

civielrechtelijke maatregelen geboden zijn, is feitenonderzoek vereist als basis voor een door de

werkgever respectievelijk rechthebbende te nemen beslissing. Dit kan onderzoek in de

geautomatiseerde voorzieningen van het bedrijf zijn, maar ook het interviewen van personen of

het onderzoeken van het berichtenverkeer middels telecommunicatiemiddelen die door of

namens de ondernemer beschikbaar zijn gesteld aan het (ingehuurde) personeel.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 10

In toenemende mate worden binnen organisaties over deze vormen van werkgeverstoezicht

afspraken gemaakt met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. In een aantal

gevallen is het instemmingsrecht van de ondernemingsraad vereist op grond van artikel 27 van de

Wet op de ondernemingsraden. Hoewel de ondernemer respectievelijk de rechthebbende dit

onderzoek zelf in beginsel kan uitvoeren, wordt de sector particuliere onderzoeksbureaus in

toenemende mate ingeschakeld om dit soort feitenonderzoek te doen.

Een andere rechtvaardiging om onderzoek in te (doen) stellen naar vermeende

onregelmatigheden vormen de klokkenluiderregelingen. Zowel binnen de overheid als binnen het

bedrijfsleven worden in toenemende mate – al dan niet verplicht door wetgeving -

klokkenluiderregelingen ingevoerd, opdat werknemers beschermd worden als zij op

vertrouwelijke wijze misstanden aan de orde willen stellen. Een melding noopt veelal tot het

instellen van onderzoek om vast te stellen of de aantijgingen juist zijn.

Ook bij verzekeringsmaatschappijen is er sprake van een contractuele verhouding tussen de

verzekeraar en de verzekerde. Beiden zijn gehouden zich te houden aan de verzekeringsovereenkomst

en de overige eisen die de wet aan de verzekering en de bij de verzekering

betrokken partijen stelt. In geval van het vermoeden van onregelmatigheden (bij het aangaan van

de verzekeringsovereenkomst of bij het indienen van claims) van de zijde van de verzekerde of

een derde heeft de verzekeraar binnen zekere grenzen de bevoegdheid om onderzoek te doen naar

het handelen of nalaten van de bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst betrokken

personen. Ook verzekeraars maken in toenemende mate gebruik van de expertise van de sector

particuliere onderzoeksbureaus.

Tenslotte wordt de sector particuliere onderzoeksbureaus ingeschakeld door (rechts)personen die

slachtoffer (menen te) zijn van een strafbaar feit en op grond van artikel 161 van het Wetboek

van Strafvordering (hierna te noemen: WvSv) bevoegd zijn om daarvan aangifte te doen bij een

opsporingsambtenaar. Het is gewenst dat zo’n aangifte goed gedocumenteerd is. Hoewel de

aangever zelf bevoegd is om personen te interviewen, onderzoek op de plaats van het misdrijf in

te stellen, is er een categorie aangevers die dit (voor)onderzoek en het daadwerkelijk doen van

aangifte om redenen van efficiency en effectiviteit overlaat aan de sector particuliere

onderzoeksbureaus.

4.3 Opdrachten- c.q. voorvallenregistratie en de toepasselijkheid van de WBP

Bij een groot aantal particuliere onderzoeksbureaus zijn de onderzoeksdossiers een integraal

onderdeel van een geautomatiseerde opdrachten- c.q. voorvallenregistratie met zoek- en

combinatiemogelijkheden. Op een dergelijk geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking

van onderzoeksopdrachten is de WBP van toepassing.

Er zijn ook particuliere onderzoeksbureaus die niet over een dergelijke geautomatiseerde

opdrachten- c.q. voorvallenregistratie beschikken. Onderzoeksdossiers worden dan doorgaans

alfabetisch of anderszins opgeslagen, maar vaak wel zodanig dat de in de onderzoeksdossiers

opgenomen persoonsgegevens volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Volgens de WBP is

dan sprake van een “bestand” en van een opdrachten- c.q. voorvallenregistratie als bedoeld in

deze gedragscode.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 11

Ook indien een bescheiden kaartsysteem of een geautomatiseerd systeem verwijst naar de

verschillende dossiers, de opgenomen personen of de vindplaats, is er sprake van een bestand en

is de WBP ook van toepassing. Ook deze vorm van vastlegging is een opdrachten- c.q.

voorvallenregistratie als bedoeld in deze gedragscode.

Een particulier onderzoeksbureau is verplicht de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie aan te

melden bij het CBP. Op basis van de aanmelding stelt het CBP een voorafgaand onderzoek in ter

bepaling of een nader onderzoek ex artikel 32 lid 3 WBP moet worden ingesteld. Indien het CBP

daartoe besluit, betekent dit dat een particulier onderzoeksbureau pas een aanvang mag nemen

met de verwerking van persoonsgegevens nadat het CBP een verklaring omtrent rechtmatigheid

heeft afgegeven ex artikel 32 lid 5 van de WBP, dan wel heeft aangegeven dat niet tot een nader

onderzoek zal worden overgegaan. Indien melding gedaan is bij het CBP is dit raadpleegbaar op

de website van het CBP in het register meldingen (www.cbpweb.nl).

De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt niet alleen gebruikt voor de verwerking van

onderzoeksrapporten. De opdrachten- c.q. voorvallenregistratie wordt veelal ook gebruikt als

toetsbron bij achtergrondonderzoeken, bijvoorbeeld in het kader van pre employmentonderzoeken.

Het gebruik van de gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie bij

achtergrondonderzoeken is aan strikte voorwaarden gebonden (zie hiervoor paragraaf 5.4). Ook

bij nieuwe aangemelde onderzoeken wordt (veelal) getoetst of de onderzochte perso(o)n(en)

reeds eerder subject van onderzoek is/zijn geweest.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 12

5 Algemene principes van gegevensverwerking

5.1 In overeenstemming met de wet (uitwerking artikel 6 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 6 van de WBP bepaalt dat persoonsgegevens alleen worden verwerkt in overeenstemming

met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze.

Sectornormering

1. De sector particuliere onderzoeksbureaus onthoudt zich van het onrechtmatig vergaren van

persoonsgegevens;

2. bij de methoden van gegevensvergaring (onderzoeksmethoden en –middelen) worden de

bepalingen van hoofdstuk 7 van deze gedragscode in acht genomen;

3. de onderzoekshandelingen die zijn uitgevoerd worden zodanig vastgelegd, dat in het kader

van (gerechtelijke) procedures een zelfstandig oordeel kan worden gevormd over de

rechtmatigheid van de verkrijging van persoonsgegevens aan de hand van deze vastlegging;

4. persoonsgegevens die in strijd met artikel 6 van de WBP verkregen zijn mogen niet worden

opgenomen in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie.

Toelichting:

Voor particuliere onderzoeksbureaus betekent de norm van artikel 6 van de WBP dat zij geen

gegevens mogen verwerken, indien zij deze gegevens verkregen hebben door middel van illegale

onderzoeksmethoden en –middelen. Zo zijn in het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen:

WvSr) bepalingen opgenomen die het onopgemerkt afluisteren en opnemen van gesprekken of het

onopgemerkt maken van afbeeldingen verbieden (zie de artikelen 139a – 139f WvSr). De norm

heeft betrekking op het eigen handelen of nalaten van een particulier onderzoeksbureau. Het mag

niet zelf verwijtbaar betrokken zijn bij onrechtmatige gegevensvergaring.

Indien een derde gegevens (bewijsmateriaal) aan een particulier onderzoeker overhandigt, dat

door deze derde op onrechtmatige wijze is verkregen, hoeft dat derhalve niet te betekenen dat

deze gegevens niet door het particulier onderzoeksbureau mogen worden verwerkt. Dit is echter

anders indien deze derde met medeweten of op aandringen van het particulier onderzoeksbureau

bij de gegevens- c.q. bewijsvergaring onrechtmatig heeft gehandeld, (bijvoorbeeld door op

verzoek van het particulier onderzoeksbureau gegevens te verstrekken in strijd met een wettelijke

geheimhoudingsbepaling). Een deugdelijke vastlegging van de wijze waarop gegevens zijn

verkregen en van wie is derhalve van belang (zie hiervoor paragraaf 7.9).

5.2 Doeleinden van verwerking van persoonsgegevens (uitwerking artikel 7 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 7 van de WBP bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven

en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 13

Sectornormering

Aanmelding opdrachten- en voorvallenregistratie bij het CBP:

In het kader van de aanmelding van de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie bij het CBP door de

sector particuliere onderzoeksbureaus ex artikel 27 van de WBP wordt als doel van de

verwerking van persoonsgegevens aangegeven dat de verwerking van persoonsgegevens

plaatsvindt in het kader van een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering en dat deze in het

bijzonder gericht is op de volgende activiteiten:

a) Het vastleggen van de resultaten van recherchewerkzaamheden die op verzoek van (de)

opdrachtgever(s) word(t)(en) ingesteld en het rapporteren van de bevindingen van de

onderzoeksopdracht aan (de) opdrachtgever(s);

b) het bevragen van de gegevens die op grond van de onder a genoemde activiteit zijn

vastgelegd met het oog op onderzoeksopdrachten tot het uitvoeren van achtergrondonderzoeken,

alsmede bij de aanvaarding van nieuwe opdrachten;

c) het (doen) verrichten van analyses van niet op personen herleidbare gegevens voor

statistische en/of wetenschappelijke doeleinden en

d) het doen van aangifte van een vermoeden van een gepleegd strafbaar feit bij een

opsporingsambtenaar.

Vaststellen doeleinden bij aanvaarding van (nieuwe) opdrachten:

Bij het aanvaarden van (nieuwe) opdrachten wordt allereerst beoordeeld of de wens van de

opdrachtgever overeenstemt met het doel van de verwerking zoals die bij het CBP is gemeld.

Vervolgens wordt het concrete doel van de onderzoeksopdracht zo nauwkeurig mogelijk in de

schriftelijke opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever

vastgelegd. Een nauwkeurige omschrijving van de onderzoeksopdracht draagt bij aan de

controleerbaarheid achteraf van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen. Een afschrift

daarvan wordt bewaard in het onderzoeksdossier. Ook wijzigingen in de onderzoeksopdracht of

aanvullingen daarop die plaatsvinden in de loop van het onderzoek worden schriftelijk bevestigd

aan de opdrachtgever en bewaard in het onderzoeksdossier.

Toelichting:

Het aanmelden van de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie door een particulier

onderzoeksbureau bij het CBP vereist, dat een doel wordt aangegeven voor het verwerken van

persoonsgegevens. Aangezien een particulier onderzoeksbureau op commerciële basis voor

derden werkt, zal bij de bedrijfsvoering een hoge mate van efficiency en effectiviteit nagestreefd

worden. Alle activiteiten die van belang zijn voor een particulier onderzoeksbureau om de relatie

met de opdrachtgever te kunnen aangaan en onderhouden komen derhalve in de algemene

doelstelling tot uitdrukking. Deze activiteiten vormen een samenhangend geheel. Slechts indien

deze activiteiten in samenhang worden uitgevoerd is het mogelijk dat de bedrijfsvoering op een

efficiënte en effectieve wijze verloopt. Indien een particulier onderzoeksbureau niet alle

activiteiten uitvoert – het verricht bijvoorbeeld geen achtergrondonderzoeken - kan het ervoor

kiezen om deze activiteit niet te noemen bij de aanmelding.

Voor tal van andere bepalingen in deze gedragscode, zoals de bewaarduur van gegevens

(paragraaf 5.5), het verdere gebruik van de verzamelde persoonsgegevens (paragraaf 5.4) en de

bepaling dat niet meer gegevens worden verzameld dan voor het doel waarvoor zij verzameld

vereist is (paragraaf 5.6), geldt deze aangemelde doelstelling als toetsingsmaatstaf.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 14

De daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens in het kader van de diverse activiteiten

moet in concreto telkens worden getoetst aan de algemene en bijzondere beginselen van de

verwerking van persoonsgegevens, zoals deze in de gedragscode zijn uitgewerkt. Zo dient een

particulier onderzoeksbureau respectievelijk particulier onderzoeker in een concrete onderzoekssituatie

een wettige grondslag te hebben om persoonsgegevens te kunnen verwerken. Deze

wettige grondslagen worden genoemd in artikel 8 WBP (zie paragraaf 5.3). De in dit artikel

genoemde grondslagen vereisen telkens een op proportionaliteit en subsidiariteit gebaseerde

afweging, alvorens tot gegevensverwerking wordt overgegaan.

Om vorm en inhoud te kunnen geven aan de algemene en bijzondere beginselen van

gegevensverwerking is vereist dat van meet af aan objectief vaststaat wat de specifieke opdracht

is waarvoor een particulier onderzoeksbureau is ingeschakeld. Om die reden is in de

sectornormering bepaald dat het concrete doel van de onderzoeksopdracht (de wens van de

opdrachtgever) zo nauwkeurig mogelijk in de opdrachtbevestiging tussen het particulier

onderzoeksbureau en de opdrachtgever wordt vastgelegd.

Nadere toelichting op de aangemelde activiteiten van een particulier onderzoeksbureau:

De primaire activiteit (sub a) is het vastleggen van de resultaten van onderzoeken die op verzoek

van een opdrachtgever zijn of worden ingesteld. Particuliere onderzoeksbureaus worden

ingeschakeld door opdrachtgevers die wensen dat een bepaald voorval of een bepaalde persoon

wordt onderzocht of omdat er sprake is van een gedraging van iemand, waarbij ten nadele van

de opdrachtgever(s) of een derde op enigerlei wijze schade is toegebracht of schade zou kunnen

worden toegebracht. Het rechercheonderzoek heeft als doel gegevens te vergaren en te

analyseren opdat de opdrachtgever de bevindingen kan gebruiken voor het nemen van

beslissingen of voor het verkrijgen van een rechterlijke beslissing (waarbij de rechter

bijvoorbeeld vaststelt dat iemand onrechtmatig heeft gehandeld). Bij het nemen van beslissingen

kan gedacht worden aan beslissingen tot het beëindigen van een arbeidsovereenkomst van een

personeelslid wegens onregelmatigheden of een beslissing tot het niet uitkeren van een schadeuitkering

omdat de verzekerde verwijtbaar betrokken was bij het schadeveroorzakende voorval

(bijvoorbeeld bij een brand). Voor een niet-limitatieve opsomming van recherchewerkzaamheden

wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van deze gedragscode.

De onder b genoemde activiteit wordt uitgevoerd in het kader van achtergrondonderzoeken. Dit

wordt toegelicht aan de hand van pre employmentonderzoeken. Aan een groot aantal functies

worden bijzondere eisen gesteld aan de integriteit en de verantwoordelijkheid van een sollicitant.

Behalve het verifiëren van de door de sollicitant verstrekte gegevens, kan het onderzoek in het

kader van pre employmentonderzoek ook bestaan uit het raadplegen van de eigen opdrachtenc.

q. voorvallenregistratie of die van andere particuliere onderzoeksbureaus, teneinde vast te

stellen of de sollicitant in het verleden als onderzochte persoon betrokken is geweest bij een

particulier rechercheonderzoek. In dat geval kunnen antecedenten aan de opdrachtgever

verstrekt worden. Er bestaat verwantschap tussen opdrachten waarbij de betrokkenheid van

iemand bij een onregelmatigheid wordt onderzocht en opdrachten waarbij gevraagd wordt om

vast te stellen of er ten aanzien van iemand betrouwbaarheidrisico’s zijn waar de opdrachtgever

of een derde bij te nemen beslissingen rekening mee dient te houden. Het toetsbaar maken van de

persoonsgegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie voor de onder b genoemde

activiteit is slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. De voorwaarden zijn uitgewerkt in

paragraaf 5.4 van deze gedragscode.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 15

De onder b vermelde activiteit legt tevens vast dat de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie

geraadpleegd kan worden bij de aanvaarding van nieuwe opdrachten. Het komt regelmatig voor

dat het menselijk geheugen van de particulier onderzoeker geprikkeld wordt bij het horen van

bijvoorbeeld een naam, een straat of een firmanaam. In dit soort gevallen wordt de opdrachtenc.

q. voorvallenregistratie geraadpleegd omdat eerdere voorvallen en/of de onderzoekshouding

van een onderzochte persoon relevant kunnen zijn bij het onderzoeken van een nieuwe

gedraging. Het expliciet opnemen van de raadpleegmogelijkheid is eveneens gewenst in verband

met de voortschrijdende automatisering van de bedrijfsprocessen en daarmee de digitale

vastlegging van gegevens. Zodra de gebruiker de zoekfunctie activeert, wordt automatisch het

archiefbestand geraadpleegd en worden de dossiers, waarin deze naam verwerkt is,

weergegeven. Ook nu is relevant dat de particulier onderzoeker kennis draagt van eerdere

onderzoeken tegen de onderzochte persoon. De vaststelling dat de onderzochte persoon al eerder

subject was van particulier onderzoek, betekent niet dat deze wetenschap ook aan de

opdrachtgever gerapporteerd moet worden. Het verstrekken van deze gegevens is beperkt tot

achtergrondonderzoeken en mag alleen onder strikte voorwaarden, die genoemd zijn in

paragraaf 5.4.

De activiteit onder d brengt tot uitdrukking dat het particulier onderzoeksbureau in voorkomende

gevallen namens de opdrachtgever aangifte doet bij justitiële autoriteiten en in dat geval ook

gegevens uit de opdrachten c.q. voorvallenregistratie verstrekt.

5.3 Grondslag voor de gegevensverwerking (uitwerking artikel 8 WBP)

Wettelijk kader

Een gegevensverwerking is slechts gerechtvaardigd indien één van de in artikel 8 WBP

genoemde verwerkingsgrondslagen van toepassing is.

Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus zijn de volgende verwerkingsgrondslagen het

meest relevant:

a) De gegevensverwerking is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde

belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt,

tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de onderzochte persoon, in

het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert (artikel

8 aanhef en onder f WBP);

b) De onderzochte persoon heeft voor de verwerking zijn uitdrukkelijke toestemming

gegeven (artikel 8 aanhef en onder a WBP);

c) de gegevensverwerking is noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen

waaraan de verantwoordelijke onderworpen is (artikel 8 aanhef en onder c WBP);

d) de gegevensverwerking is noodzakelijk ter vrijwaring van een vitaal belang van de

onderzochte persoon (artikel 8 aanhef en onder d WBP);

Sectornormering

1. Voordat een particulier onderzoeksbureau een opdracht aanvaart en schriftelijk aan de

opdrachtgever bevestigt, dient het particulier onderzoeksbureau vast te stellen dat de (aard

van de) opdracht gerechtvaardigd is. De opdracht wordt geweigerd indien dat niet het geval

is.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 16

2. Bij de uitvoering van de opdracht toetst de particulier onderzoeker of de voorgenomen

activiteit(en) (in het kader van deze normering “gegevensverwerking” genoemd) verenigbaar

is/zijn met de opdrachtformulering zoals deze tussen het particulier onderzoeksbureau en de

opdrachtgever schriftelijk is vastgelegd.

3. Bij de verwerkingsgrondslagen onder a, c en d houdt de particulier onderzoeker rekening met

de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in

dat de inbreuk op de belangen van de onderzochte persoon niet onevenredig mag zijn in

verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Als gevolg van het

subsidiariteitsbeginsel moet bezien worden of het doel waarvoor de persoonsgegevens

worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de onderzochte persoon minder

nadelige wijze kan worden bereikt.

Toelichting:

De verwerkingsgrondslag onder a is van toepassing op alle soorten van onderzoeken waarvoor

een particulier onderzoeksbureau wordt ingeschakeld. Om te waarborgen dat de rechten en

vrijheden van de onderzochte persoon gerespecteerd worden, moet aan een aantal voorwaarden

worden voldaan. Allereerst moet de opdrachtgever zelf een gerechtvaardigd belang hebben om

onderzoek te doen instellen naar (gedragingen van) iemand of de achtergrond van een persoon.

Voor de opdrachtaanvaarding dient het particulier onderzoeksbureau zich af te vragen of het

belang van de opdrachtgever gerechtvaardigd is. Indien een werkgever bijvoorbeeld bij

herhaling bestolen wordt door zijn personeel, heeft hij een gerechtvaardigd belang om te

achterhalen wie zijn vertrouwen geschonden heeft. Als het doel van de opdrachtgever het

opsporen van een persoon is en uit de (eerste) contacten tussen het particulier onderzoeksbureau

en opdrachtgever blijkt dat het achterliggende doel mogelijk of zeker een bedreiging van de

veiligheid van de onderzochte persoon is (bijvoorbeeld ontvoering) moet de opdracht worden

geweigerd. Als aan de voorwaarde van een gerechtvaardigd belang voldaan wordt, kan de

opdracht aanvaard worden, mits de opdracht en het doel van het onderzoek zo concreet mogelijk

worden vastgelegd (zie paragraaf 5.2).

In de wijze waarop de werkgever respectievelijk het particulier onderzoeksbureau in staat

gesteld wordt om te achterhalen wie de dader is, zijn echter beperkingen gesteld. Zo verbiedt het

Wetboek van Strafrecht dat personen met camera’s worden geobserveerd als dit vooraf niet

kenbaar is gemaakt, tenzij degene die de opnamen vervaardigt een goede reden heeft om dit

heimelijk te doen. Een opdracht aan een particulier onderzoeksbureau om op incidentele basis

een verborgen camera te plaatsen kan derhalve gerechtvaardigd zijn als die goede reden

aanwezig is (zie verder paragraaf 7.5).

Bij de daadwerkelijke uitvoering van de opdracht moet een particulier onderzoeker telkens een

afweging maken: hoe verhoudt zich het belang van de opdrachtgever tot het belang of de

fundamentele rechten en vrijheden van de onderzochte persoon, in het bijzonder het recht op

bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze belangenafweging kan betekenen dat de

particulier onderzoeker om redenen van proportionaliteit en subsidiariteit afziet van een op zich

voor de hand liggende onderzoekshandeling. In het voorbeeld van het plaatsen van een

verborgen camera bij werknemersdiefstal kan dat betekenen, dat niet tot plaatsing wordt

overgegaan omdat er alternatieven zijn om vast te stellen wie het vertrouwen geschonden heeft.

Als er geen minder ingrijpende alternatieven zijn kan de plaatsing van een verborgen camera

uitkomst bieden. Zo’n camera mag echter niet worden opgehangen op plaatsen waar men zich

onbespied mag wanen, zoals het toilet.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 17

In de verwerkingsgrondslagen onder b en d wordt met name het belang van de onderzochte

persoon tot uitdrukking gebracht.

De verwerkingsgrondslag onder b is met name van belang indien uit de onderzoeksrapporten

blijkt dat de verdenking tegen de onderzochte persoon onterecht was en deze er belang bij heeft

dat de onderzoeksrapporten of bevindingen van het onderzoek aan een derde worden verstrekt.

Het vereiste van uitdrukkelijke toestemming is ook uitgewerkt in paragraaf 7.3 van deze

gedragscode voor het interviewen van personen.

Voor het vaststellen of er sprake is van toestemming is essentieel dat de onderzochte persoon in

vrijheid heeft kunnen bepalen dat de gegevensverwerking diens toestemming heeft. Bij twijfel

over de vraag of de onderzochte persoon zijn toestemming heeft verleend, dient te worden

geverifieerd of er terecht van uitgegaan wordt dat de onderzochte persoon er mee heeft

ingestemd dat diens persoonsgegevens worden verwerkt.

De verwerkingsgrondslag onder d speelt met name een rol bij onderzoeksopdrachten om

vermiste personen op te sporen. Het aanvaarden van zo’n opdracht is op zich legitiem. Deze

legitimiteit is groter als deze personen vanwege een persoonlijkheidsstoornis of een andere

persoonlijke omstandigheid (zoals een ondercuratelestelling of een ontvoering) niet in staat zijn

hun eigen belangen te behartigen. De vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit - die tot

uitdrukking komen in het woord “noodzakelijk” - vergen echter dat het belang van de vermiste

persoon in geen geval in strijd mag zijn met het belang van de opdrachtgever. In specifieke

situaties kan dat bijvoorbeeld betekenen dat het particulier onderzoeksbureau afziet van het

doorgeven van de verblijfplaats van de vermiste persoon aan de opdrachtgever.

Bij de verwerkingsgrondslag die onder c genoemd is, heeft de particulier onderzoeker in feite

geen keuze om de gegevens wel of niet te verwerken. De naleving van een wettelijke plicht is ook

niet afhankelijk van de toestemming van de opdrachtgever. Het niet meewerken aan een

wettelijke plicht kan immers betekenen dat de particulier onderzoeker een strafbaar feit pleegt.

Bij het nakomen van wettelijke verplichtingen kan gedacht worden aan een op wettelijke

grondslag gebaseerde vordering van een opsporingsinstantie om bepaalde gegevens en/of

voorwerpen uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie ter beschikking te stellen respectievelijk

uit te leveren (denk aan de artikelen 96a,126a en 126nd van het WvSv). De verwerking wordt ook

uitgevoerd wanneer een particulier onderzoeker wordt opgeroepen om te getuigen in rechte. In

het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 165) en het WvSv zijn bepalingen

opgenomen, die degene die op wettige wijze is opgeroepen in een gerechtelijke procedure

verplichten een getuigenis af te leggen. De verwerking geschiedt eveneens in die gevallen dat

artikel 160 WvSv een ieder verplicht (dus ook de particuliere onderzoeker) om aangifte te doen

bij een opsporingsambtenaar, indien hij kennis draagt van bepaalde misdrijven. Daarbij kan

gedacht worden aan misdrijven zoals moord, doodslag, verkrachting, mensenroof en misdrijven

tegen de veiligheid van de staat.

5.4 Verenigbaarheid (uitwerking artikel 9 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 9 van de WBP bepaalt dat persoonsgegevens niet verder worden verwerkt op een wijze

die onverenigbaar is met het doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 18

Bij de beoordeling of een verwerking (on)verenigbaar is met de doeleinden waarvoor de

persoonsgegevens zijn verkregen houdt de sector particuliere onderzoeksbureaus in elk geval

rekening met:

a) De verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de

gegevens zijn verkregen;

b) de aard van de betreffende gegevens;

c) de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene; en

d) de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.

Sectornormering

De aard van de gegevens (gegevens over laakbaar en soms zelfs strafbaar gedrag) en de gevolgen

van verstrekking van deze gegevens over de onderzochte perso(o)n(en) aan derden vergen dat

uitermate prudent wordt omgegaan met persoonsgegevens, die zijn vastgelegd in de opdrachtenc.

q. voorvallenregistratie. De (verdere) verwerking van gegevens kan leiden tot uitsluiting van

bepaalde producten, diensten en/of een andere contractuele relatie door derden met de

onderzochte perso(o)n(en). Voor de onderzochte persoon dient van meet af aan duidelijk te zijn

dat antecedenten ook aan derden verstrekt kunnen worden in het kader van achtergrondonderzoeken.

Om die reden wordt dit aan de onderzochte persoon medegedeeld, zodat hij/zij in

voorkomende gevallen de rechten kan uitoefenen zoals die zijn opgenomen in artikel 36 e.v.

WBP (zie paragraaf 9.2 en 9.3). Bij verstrekking van antecedenten worden de volgende regels in

acht genomen:

1. Aan opdrachtgevers die wensen dat een achtergrondonderzoek wordt uitgevoerd worden uit

de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie geen andere gegevens verstrekt dan antecedenten. In

geen geval wordt de onderzoeksrapportage integraal beschikbaar gesteld;

2. er moet zijn vastgesteld dat de onderzochte persoon betrokken is bij het plegen van strafbare

of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften dan wel pogingen

daartoe. In dat geval is sprake van “harde gegevens”. Indien uitsluitend sprake is van een

“vermoeden” (bijvoorbeeld meningen, veronderstellingen of informatie van horen zeggen)

mogen de gegevens niet aan opdrachtgevers voor een achtergrondonderzoek worden verstrekt

vanwege de mogelijke gevolgen voor de onderzochte persoon;

3. indien de onderzochte persoon voorkomt in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie, worden

alleen die antecedenten verstrekt die relevant zijn voor de functie of de contractuele relatie

die de opdrachtgever voornemens is aan te bieden respectievelijk aan te gaan;

4. aan opdrachtgevers voor achtergrondonderzoeken worden geen antecedenten verstrekt indien

eerdere opdrachtgevers dit hebben uitgesloten.

Toelichting:

De doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verkregen worden genoemd in paragraaf 5.2.

Er zijn in het kader van de bedrijfsvoering van de sector particuliere onderzoeksbureaus twee

categorieën opdrachtgevers te onderscheiden: de opdrachtgever die een bepaald voorval

onderzocht wil hebben en daarover gerapporteerd wil worden (hierna te noemen “eerste

categorie opdrachtgevers”) en de opdrachtgever die –voor zichzelf of een ander - wil weten of

met een bepaalde (rechts)persoon een contractuele relatie kan worden aangegaan (hierna te

noemen “tweede categorie opdrachtgevers”). Artikel 9 WBP is met name van belang voor

opdrachten ten behoeve van de tweede categorie opdrachtgevers. Karakteristieken uit de

onderzoeksrapportage van de eerste categorie opdrachtgevers (antecedenten) worden namelijk

mede bewaard en in voorkomende gevallen beschikbaar gesteld aan opdrachtgevers van de

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 19

tweede categorie. Voor deze tweede categorie opdrachtgevers worden de gegevens uit de

opdrachten- c.q. voorvallenregistratie geraadpleegd om vast te stellen of de persoon waarover

gerapporteerd moet worden al eerder als onderzochte persoon subject was van een particulier

rechercheonderzoek.

De vaststelling dat iemand al eerder subject was van particulier rechercheonderzoek kan van

belang zijn voor de door de tweede categorie opdrachtgevers of een derde te nemen beslissing

over het al dan niet aangaan, het al dan niet onder voorwaarden aangaan, dan wel het

continueren of beëindigen van een arbeidsovereenkomst of een zakelijke relatie. De verwachting

is gerechtvaardigd dat in toenemende mate opdrachten worden verstrekt tot het uitvoeren van

achtergrondonderzoeken door de sector particuliere onderzoeksbureaus. Zo zijn verschillende

sectoren in het bedrijfsleven op grond van wet- en regelgeving reeds verplicht toekomstig

personeel te screenen indien het voornemen bestaat hen te benoemen op integriteitgevoelige

functies. Daarbij kan gedacht worden aan de financiële sector. Eerste categorie opdrachtgevers

kunnen het gebruik van gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie voor de tweede

categorie opdrachtgevers contractueel uitsluiten.

De voorwaarde onder drie brengt tot uiting dat de risico’s voor de opdrachtgever de mate

bepalen waarin antecedenten relevant zijn voor de opdrachtgever. Alleen die antecedenten

mogen worden verstrekt die gevaar opleveren voor de functie of de contractuele relatie. Indien

de onderzochte persoon vergelijkbare gedragingen als waarvoor hij reeds gedocumenteerd is in

die functie of binnen de contractuele relatie zou herhalen, schaadt dat de belangen van de

opdrachtgever. Bij een antecedentenonderzoek dient het particulier onderzoeksbureau van de

opdrachtgever derhalve te verlangen dat deze aangeeft wat de taken en bevoegdheden van de te

onderzoeken persoon zijn en welke risico’s dat met zich meebrengt voor de opdrachtgever.

Antecedenten worden slechts verstrekt mits is vastgesteld dat de onderzochte persoon strafbare

feiten en/of laakbare handelingen heeft gepleegd en/of pogingen daartoe heeft ondernomen. Vage

vermoedens zijn niet voldoende om te kunnen spreken van antecedenten. De verweten gedraging

moet bijvoorbeeld blijken uit video- en of geluidsopnamen, een bekentenis van de onderzochte

persoon of betrouwbare verklaringen van collega’s die gezien hebben dat de onderzochte

persoon de verweten gedraging beging (dus geen meningen of veronderstellingen of verklaringen

van horen zeggen). Wanneer gevraagd wordt naar de antecedenten van meneer X geboren op

13 april 1969 te Heemskerk, worden, voor zover deze gegevens relevant zijn voor de functie of de

contractuele relatie die de opdrachtgever voornemens is aan te bieden respectievelijk aan te

gaan, de volgende gegevens verstrekt:

‘Er is vastgesteld dat meneer X in september 2002 ontslagen is wegens herhaalde diefstallen

door hem gepleegd in de periode van 1 mei 2002 tot 4 augustus 2002. Hij heeft het feit bekend en

is door de politierechter te Zwolle voor deze feiten veroordeeld’.

5.5 Bewaartermijn (uitwerking artikel 10 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 10 van de WBP bepaalt dat persoonsgegevens niet langer worden bewaard in een vorm

die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren dan noodzakelijk is voor de

verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden

verwerkt.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 20

Sectornormering

Gegevens uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie blijven minimaal één jaar bewaard nadat

het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever en worden verwijderd binnen een

periode van maximaal vijf jaar na het moment van eerste vastlegging.

De periode van vijf jaar wordt verlengd, indien zich ten aanzien van de onderzochte persoon een

nieuwe aanleiding als hiervoor vermeld heeft voorgedaan, die wordt opgenomen in de

opdrachten- c.q. voorvallenregistratie. In die gevallen begint de termijn van vijf jaar opnieuw te

lopen, vanaf het moment van vastlegging van gegevens.

Gegevens worden in ieder geval uit de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie verwijderd indien

voldaan wordt aan een verzoek ex artikel 36 van de WBP.

In afwijking van de hiervoor genoemde bewaartermijnen blijft het onderzoeksdossier bewaard

zolang dat geboden is in verband met de behandeling van lopende procedures en zaken die nog

onder de rechter zijn en waarbij de mogelijkheid bestaat dat hetzij de opdrachtgever, hetzij het

particulier onderzoeksbureau in rechte wordt opgeroepen.

Toelichting:

Persoonsgegevens worden om meerdere redenen bewaard nadat het onderzoeksrapport aan de

opdrachtgever is aangeboden. Allereerst worden persoonsgegevens bewaard ten behoeve van

opdrachtgevers in het kader van de behandeling van juridische procedures of geschillen waarbij

de opdrachtgever partij is. Daarbij kan gedacht worden aan een nog lopende ontslagprocedure

van de onderzochte persoon of een lopende strafzaak indien van het voorval aangifte is gedaan

bij de politie.

Verder worden de gegevens bewaard voor het behandelen van klachten die worden ingediend

tegen het particulier onderzoeksbureau zelf op grond van artikel 18 van de Regeling particuliere

beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, het voldoen aan wettelijke plichten (zoals het

getuigen in rechte) en voor vervolgopdrachten van de primaire opdrachtgever.

Tenslotte worden de gegevens bewaard voor opdrachtgevers van de tweede categorie (als

bedoeld in paragraaf 5.4). Het gebruik van de gegevens uit eerdere opdrachten voor deze

categorieopdrachtgevers is beperkt tot achtergrondonderzoeken.

De bewaarduur van vijf jaar is van belang aangezien opdrachtgevers met enige regelmaat

gegevens uit het dossier nog in willen zien en/of gegevens uit het dossier nodig hebben. Vaak

blijkt pas geruime tijd na afsluiting van het particulier rechercheonderzoek dat juridische

procedures lopen. Met enige regelmaat worden particulier onderzoekers opgeroepen om te

getuigen. Vaak wil de rechter weten of er inhoudelijke verschillen zijn tussen de aan de

opdrachtgever aangeboden rapport en eerdere kladversies. De bewaartermijn van vijf jaar sluit

ook aan bij de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen (artikel 3:310 BW). Zowel de

onderzochte persoon als de opdrachtgever kunnen het particulier onderzoeksbureau in

voorkomende gevallen aanspreken tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad

respectievelijk wanprestatie. In dat geval dient het particulier onderzoeksbureau in staat te zijn

zich gemotiveerd te verdedigen door overlegging van stukken uit het onderzoeksdossier.

De minimale bewaarduur van één jaar nadat het onderzoeksrapport is aangeboden aan de

opdrachtgever is van belang in het kader van toezicht en transparantie, maar ook voor mogelijke

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 21

juridische procedures tegen het particulier onderzoeksbureau en klachtenbehandeling. Als het

dossier onmiddellijk of kort na uitvoering van het onderzoek wordt vernietigd, zijn er

onvoldoende mogelijkheden om de uitvoering van het onderzoek te toetsen aan de

privacygedragscode.

5.6 Niet meer dan nodig (uitwerking artikel 11 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 11 van de WBP bepaalt dat persoonsgegevens slechts worden verwerkt voor zover zij

gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt,

toereikend, terzake dienend en niet bovenmatig zijn.

Sectornormering

Er worden niet meer gegevens vastgelegd of in beheer genomen dan uiteindelijk nodig zijn voor

het opstellen van een onderzoeksrapport voor de opdrachtgever. Niet relevante gegevens dienen

derhalve direct na vaststelling daarvan te worden vernietigd of teruggegeven om te voorkomen

dat deze in het dossier belanden en bewaard blijven.

Toelichting:

De aard van een particulier rechercheonderzoek kenmerkt zich doordat de particulier

onderzoeker in eerste instantie met gegevens te maken krijgt, waarvan nog niet vaststaat of deze

uiteindelijk relevant zullen zijn voor het betreffende onderzoek. De norm impliceert dat de

particulier onderzoeker zich permanent de vraag moet stellen of de gegevens daadwerkelijk

relevant zijn. Verzamelde of in beheer genomen persoonsgegevens worden zo spoedig mogelijk

na het wegvallen van de noodzaak om deze gegevens te verzamelen of in beheer te nemen

vernietigd, dan wel aan de verstrekker geretourneerd.

Voorts zijn er opdrachtgevers die na het aanvaarden van de opdracht grote hoeveelheden

voorwerpen, en administratie aan het particulier onderzoeksbureau beschikbaar stellen ten

behoeve van het onderzoek. Er zijn opdrachtgevers die er op aandringen dat de particulier

onderzoeker respectievelijk het particulier onderzoeksbureau deze zaken voor hen bewaart met

het oog op eventuele toekomstige geschillen met de onderzochte persoon, ook al houden deze

zaken niet direct verband met hetgeen in het uiteindelijke onderzoeksrapport verwoord is. Dit

wordt onwenselijk geacht.

5.7 Geheimhoudingsplicht (uitwerking artikel 12 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 12 van de WBP bepaalt dat een ieder die handelt onder het gezag van de

verantwoordelijke de persoonsgegevens slechts verwerkt in opdracht van de verantwoordelijke.

Deze personen zijn vervolgens verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan

zij kennis nemen. De geheimhoudingsverplichting geldt niet indien enig wettelijk voorschrift hen

tot mededeling verplicht of indien uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 22

Sectornormering

Alle in de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie opgenomen gegevens worden als strikt

vertrouwelijk behandeld. Een particulier onderzoeksbureau is verplicht tot geheimhouding van al

hetgeen bij de aanvaarding en de uitvoering van de opdracht bekend is geworden en legt deze

verplichting tevens op aan de bij de opdracht ingeschakelde personen. Een particulier

onderzoeksbureau treft voorzieningen die waarborgen dat medewerkers onder een

geheimhoudingsplicht vallen die zich zowel tijdens de duur van de dienstbetrekking als na afloop

daarvan uitstrekt.

Toelichting:

Artikel 12 WBP is van toepassing op personen die onder het gezag van de verantwoordelijke

werkzaam zijn. Personeel in dienst van de sector particuliere onderzoeksbureaus valt reeds uit

hoofde van artikel 13 van de Wpbr onder een geheimhoudingsverplichting. Voor personen die

niet onder het gezag van de verantwoordelijke vallen dient contractueel te worden vastgelegd dat

de geheimhoudingsbepaling op hen van toepassing is.

De geheimhoudingsverplichting geldt niet indien enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling

verplicht of indien uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Voor de gevallen die

hieronder vallen wordt verwezen naar paragraaf 5.3 onder b.

5.8 Beveiligingsplicht (uitwerking artikel 13 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 13 van de WBP bepaalt dat de verantwoordelijke passende technische en organisatorische

maatregelen neemt om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van

onrechtmatige verwerking.

Rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging dienen

deze maatregelen te voorzien in een passend beveiligingsniveau, gelet op de risico’s die de

verwerking en de aard van de te beschermen gegevens met zich meebrengen. De maatregelen

zijn er mede op gericht onnodige verzameling en verdere verwerking van persoonsgegevens te

voorkomen.

Sectornormering

Een particulier onderzoeksbureau zorgt dat het niveau van beveiliging van de persoonsgegevens

minimaal overeenkomt met de eisen die het rapport “Beveiliging van persoonsgegevens” van het

CBP stelt ten aanzien van gegevensverwerkingen met risicoklasse indeling II, tenzij op grond van

de voorzienbare ernst van de gevolgen voor de betrokkene door onbevoegde toegang tot de

verwerkte gegevens en/of de omvang dan wel de complexiteit van de gegevensverwerking

beveiliging overeenkomstig risicoklasse III aangewezen is.

Toelichting:

Artikel 13 van de WBP spreekt over technische en organisatorische maatregelen. Technische

maatregelen zijn de logistieke en fysieke maatregelen in en rondom de informatiesystemen (zoals

toegangscontroles, vastlegging van gebruik en back up). Organisatorische maatregelen zijn

maatregelen voor de inrichting van de organisatie en voor het verwerken van persoonsgegevens

(zoals de toekenning van verantwoordelijkheden en bevoegdheden). Het passende niveau van

beveiliging van persoonsgegevens hangt af van de risicoklasse. Het rapport “Beveiliging van

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 23

persoonsgegevens”, achtergrondstudies en verkenningen 23 van april 2001 kent vier

risicoklassen. Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus is gekozen voor risicoklasse II

(verhoogd risico) en het daarbij behorende beveiligingsniveau. De keuze voor deze risicoklasse

vloeit voort uit het feit dat de sector particuliere onderzoeksbureaus bijzondere persoonsgegevens

verwerkt. Het is evenwel de eigen verantwoordelijkheid van het particulier

onderzoeksbureau om overeenkomstig een hogere risicoklasse te beveiligen, indien de aard van

de verwerkte gegevens daartoe aanleiding geeft. In het rapport van het CBP zijn de eisen

beschreven waaraan de beveiliging van een gegevensverwerking met risicoklasse II moet

voldoen. Het rapport is opvraagbaar via www.cbpweb.nl.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 24

6 Bijzondere persoonsgegevens

Wettelijk kader

In artikel 16 van de WBP is een algemene verbodsbepaling opgenomen voor de verwerking van

bijzondere persoonsgegevens. In de artikelen 17 tot en met 23 van de WBP zijn uitzonderingen

op het verbod genoemd.

Gevolgen voor de sector

De aard van de werkzaamheden van de sector particuliere onderzoeksbureaus brengt in het

algemeen met zich mee dat particuliere onderzoeksbureaus in aanraking komen met

strafrechtelijke gegevens en andere bijzondere persoonsgegevens, zoals die over iemands ras

(etniciteit), seksuele leven en gezondheid.

Het verbod om strafrechtelijke gegevens te verwerken is op grond van 22 lid 4 aanhef en onder a

WBP niet van toepassing wanneer de gegevens door een particulier onderzoeksbureau ten

behoeve van derde(n) worden verwerkt krachtens een vergunning op grond van de Wpbr. Het

verwerken van strafrechtelijke gegevens is veelal inherent aan het onderzochte gedrag en wordt

gedekt door de vergunning die de Minister van Justitie heeft afgegeven. De overige bijzondere

persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de

verwerking van strafrechtelijke gegevens voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden

verwerkt (artikel 22 lid 5 WBP). Voorts is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands

ras te verwerken niet van toepassing, indien de verwerking geschiedt met het oog op de

identificatie van iemand indien dit voor dat doel onvermijdelijk is.

Tenslotte mogen bijzondere persoonsgegevens verwerkt worden, indien dit noodzakelijk is voor

de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte (artikel 23 lid 1 onder c

WBP). Opdrachtgevers kunnen onder omstandigheden hun rechten in een rechterlijke procedure

niet effectueren, indien zij niet beschikken over bepaalde gegevens van hun wederpartij. Ook in

dat geval is het verwerken van bijzondere gegevens inherent aan het onderzochte gedrag.

Toelichting:

Bijzondere persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is in

aanvulling op de verwerking van strafrechtelijke gegevens. Daarbij kan gedacht worden aan het

verwerken van gegevens omtrent iemands seksuele leven in het geval van een onderzoek naar

ongewenste intimiteiten op het werk. Voorts kan gedacht worden aan het vastleggen van

strafbare gedragingen door middel van camera’s. Het is inherent aan deze vorm van observatie

dat gegevens over iemands ras (etniciteit) en/of gezondheid bekend worden en worden verwerkt.

Op het beeldmateriaal is immers iemands huidskleur of lichamelijke handicap zichtbaar. Voorts

is het verwerken van iemands persoonsgegevens betreffende iemands ras met het oog op de

identificatie van iemand bij andere methoden van gegevensvergaring, zoals het interviewen van

personen veelal eveneens onvermijdelijk.

Verder houdt het verwerken van bijzondere persoonsgegevens soms direct verband met de

opdracht. Zo worden persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid verwerkt indien in

opdracht van een werkgever moet worden vastgesteld of er sprake is van een geveinsde ziekte of

indien in opdracht van een verzekeraar moet worden vastgesteld of iemand al dan niet terecht

aanspraak kan maken op een periodieke uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidsVereniging

van Particuliere Beveiligingsorganisaties 25

verzekering. Ervan uitgaande dat de opdrachtgever in beide gevallen zelf bevoegd is om

gezondheidsgegevens te verwerken, komt deze bevoegdheid ook toe aan het particulier

onderzoeksbureau indien deze in diens opdracht handelt. Ook kunnen in het kader van een

alimentatieonderzoek gegevens over iemands ontrouw en/of een (buitenechtelijke) relatie worden

vastgesteld. Dat daarbij gegevens over iemands seksuele leven worden verwerkt is

onvermijdelijk.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 26

7 Methoden van gegevensvergaring

Het staat particulieren en bedrijven vrij gedragingen van anderen te onderzoeken, indien hun

belangen door deze gedragingen zijn of kunnen worden geschaad. Particulier onderzoek is niet

expliciet bij wet genormeerd. Indien een particulier onderzoeksbureau wordt ingeschakeld, wordt

het particulier onderzoek evenwel op indirecte wijze genormeerd door artikel 6 van de WBP.

Gegevens die immers in strijd met deze bepaling zijn verkregen, mogen niet verwerkt worden in

de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie.

In het kader van de opdracht maakt de sector particuliere onderzoeksbureaus gebruik van diverse

onderzoeksmethoden en –middelen. Daarbij kan gedacht worden aan het vergaren van gegevens

uit open bronnen (zoals het internet en de openbare registers), het interviewen van personen, het

observeren van personen, al dan niet met behulp van technische hulpmiddelen, het afluisteren

en/of opnemen van (vertrouwelijke) communicatie, het onderzoeken van gegevens die zijn

opgeslagen in geautomatiseerde voorzieningen, het doen van proefaankopen en het doorzoeken

van huisvuil dat aan de straat gezet is.

In het kader van deze gedragscode wordt het gebruik van begrippen die in het WvSv vermeld

worden vermeden om te voorkomen dat privaat onderzoek verward wordt met de opsporing van

strafbare feiten door opsporingsinstanties. Privaat onderzoek vindt immers niet plaats onder het

gezag en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en bovendien voor andere

doeleinden.

Veel onderzoeksmethoden en –middelen die de sector particuliere onderzoeksbureaus hanteert

zijn afgeleid van de onderzoeksmogelijkheden waarover de opdrachtgever zelf al beschikt uit

hoofde van de contractuele relatie die de opdrachtgever heeft met de onderzochte persoon of

omdat de opdrachtgever als rechthebbende wordt aangemerkt in de zin van het BW en uit dien

hoofde onderzoek kan instellen in geval van onregelmatigheden. De opdrachtgever heeft

bepaalde belangen en die kunnen rechtvaardigen dat hij onderzoek instelt.

Het gebruik maken van particuliere onderzoeksmethoden- en middelen betekent in voorkomende

gevallen dat inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de onderzochte persoon. Om die reden is

normering van onderzoeksmethoden en -middelen noodzakelijk.

Voor deze gedragscode geldt als eerste basisregel dat de rechten en plichten die gelden voor

iedere burger, ook gelden voor particuliere onderzoeksbureaus. Hierbij geldt evenwel dat van

particuliere onderzoeksbureaus een grotere mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht in het

kader van hun beroepsuitoefening. Bij bevoegdheden van iedere burger kan gedacht worden aan

het raadplegen van openbare registers (zoals de registers van de Kamer van Koophandel en

Fabrieken en de registers van het Kadaster) en openbare bronnen (zoals het internet). Net zo min

als een burger is het de particulier onderzoeker toegestaan om wetten te overtreden om gegevens

te vergaren. Indien een particulier onderzoeker in geval van een observatieopdracht incidenteel te

hard rijdt of een rood verkeerslicht negeert, zal dat doorgaans geen invloed hebben op de

beoordeling of er wel of niet gehandeld is in overeenstemming met artikel 6 WBP. Hij kan

bekeurd worden net als iedere andere burger. Het (bij herhaling) handelen of nalaten van

(medewerkers van) een particulier onderzoeksbureau in strijd met wettelijke bepalingen, kan

voor de Minister van Justitie evenwel aanleiding zijn om de vergunning in te trekken. Zodra

echter strafbare feiten worden gepleegd die in het WvSr worden genoemd en die specifiek

geschreven zijn om bepaalde belangen te beschermen (zoals de bescherming van de eigendom,

de vrijheid om met anderen te communiceren of de persoonlijke levenssfeer), kan sprake zijn van

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 27

handelen in strijd met artikel 6 WBP, waardoor een wetmatige gegevensverwerking geblokkeerd

wordt.

Of dat zo is kan niet in algemene zin beantwoord worden. Dat hangt onder meer af van het

antwoord op de vraag of het belang dat de strafrechtelijke norm tracht te beschermen (mede)

bedoeld is om het belang van de onderzochte persoon te beschermen (“de zogenaamde

Schutznorm”). Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus gaat het hierbij in het bijzonder om

de strafbepalingen die het gebruik van technische hulpmiddelen verbieden, waarmee heimelijk

gegevens (kunnen) worden vergaard.

Als tweede basisregel geldt dat de onderzoeksmogelijkheden van opdrachtgevers mutatis

mutandis ook toekomen aan de sector particuliere onderzoeksbureaus, indien zij door die

opdrachtgevers worden ingeschakeld in het doen van feitenonderzoek. Om die reden is in

paragraaf 5.2 opgenomen dat het doel van de onderzoeksopdracht in de opdrachtbevestiging zo

nauwkeurig mogelijk moet worden opgenomen. De onderzoeksopdracht legitimeert het

particulier onderzoeksbureau tot het aanwenden van de bevoegdheden van de opdrachtgever.

Tenslotte geldt als derde basisregel dat bij het bepalen van de aard van de onderzoeksmethoden

en –middelen de beginselen van proportionaliteit (evenredigheid van doel en middelen) en

subsidiariteit (gematigdheid bij de inzet van middelen en methoden) in acht worden genomen.

Deze basisregel vloeit voort uit artikel 6 en artikel 8 aanhef en onder f WBP (zie paragraaf 5.3).

7.1 Algemene normering onderzoeksmethoden en -middelen

Algemeen

Op basis van wet- en regelgeving, de drie basisregels, rechterlijke uitspraken, achtergrondstudies

en verkenningen van het CBP worden in de paragrafen 7.2 tot en met 7.8 normen gegeven voor

de meest voorkomende onderzoeksmethoden en –middelen. Dit normatief kader heeft het CBP

ook gehanteerd bij het beoordelen van de rechtmatigheid van bepaalde verwerkingen van

persoonsgegevens door de sector particuliere onderzoeksbureaus in het kader van voorafgaande

onderzoeken (artikelen 31 en 32 WBP). Indien overeenkomstig deze normen wordt gehandeld is

(verdere) gegevensverwerking in beginsel rechtmatig. Tenzij de rechter in een concrete situatie

anders oordeelt wordt dan voldaan aan de criteria van artikel 6 van de WBP. Naast de normen die

in de paragrafen 7.1 tot en met 7.8 zijn opgenomen voor de daar omschreven

onderzoeksmethoden en –middelen, neemt de sector particuliere onderzoeksbureaus bij de

uitvoering van haar werkzaamheden de normen in acht die in deze paragraaf zijn opgenomen.

Deze algemene normen gelden ook voor die onderzoeksmethoden en –middelen die niet

uitdrukkelijk in deze gedragscode zijn genormeerd omdat het meer voor de hand liggende

onderzoeksmethoden en -middelen zijn die de sector particuliere onderzoeksbureaus hanteert,

alsmede onderzoeksmethoden en -middelen die slechts sporadisch worden gebruikt.

Sectornormering

1. Onderzoeksmethoden en –middelen worden slechts aangewend na overleg met de

opdrachtgever. In dat overleg wordt vastgesteld of de opdrachtgever zelf ook bevoegd zou

zijn geweest de onderzoeksmethode of het -middel aan te wenden, indien deze het onderzoek

zelf zou hebben verricht;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 28

2. voorafgaand aan de inzet van de onderzoeksmethode en/of –middel moet worden bepaald tot

welk resultaat de onderzoeksmethode en/of -middel moet kunnen leiden. Daarmee wordt

beoogd om te voorkomen, dat gegevens worden vergaard die niet strikt noodzakelijk zijn

voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht;

3. bij het bepalen van de aard van de onderzoeksmethoden en –middelen worden de beginselen

van proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen, inhoudende dat steeds de minst

bezwarende onderzoeksmethode dan wel het -middel op de minst bezwarende wijze wordt

toegepast.

Toelichting:

Dit algemene gedragsartikel geldt voor alle onderzoeksmethoden en -middelen die in deze

gedragscode uitdrukkelijk genormeerd zijn. De normering geldt ook voor meer of minder voor de

hand liggende onderzoeksmethoden en -middelen, zoals het raadplegen van openbare registers

en openbare bronnen (zoals het internet), het analyseren van door de opdrachtgever

opgevraagde gespecificeerde nota’s bij telecommunicatiebedrijven en het veiligstellen van

sporen op de onderzoekslocatie. Verder is deze normering van belang voor onderzoeksmethoden

en -middelen die nu nog niet of niet vaak gehanteerd worden, maar in de nabije toekomst

wellicht wel (bijvoorbeeld door nieuwe technieken). Een voorbeeld van een onderzoeksmethode

dat niet vaak gehanteerd wordt is de inzet van een particulier onderzoeker als pseudowerknemer.

Deze onderzoeksmethode kan bijvoorbeeld ingezet worden als een groep werknemers verdacht

wordt van het stelselmatig wegnemen van bedrijfseigendommen en er een grote mate van

samenspanning vermoed wordt, terwijl het niet mogelijk is om op andere wijze informatie te

krijgen over de diefstallen, de daarbij betrokkenen en de onderlinge rolverdeling. In overleg met

de opdrachtgever kan er dan voor gekozen worden om een particulier onderzoeker enige tijd

“werkzaam” te laten zijn op de afdeling.

7.2 Betreden van niet openbare (besloten) plaatsen

Algemeen

Het betreden van plaatsen kan noodzakelijk zijn om het doel van de opdracht te kunnen

realiseren. Daarbij kan gedacht worden aan het zoeken naar sporen die in relatie staan tot de

onderzochte gedraging, het inzien van bescheiden, het observeren van personen, het kopiëren van

bescheiden en het interviewen van personen. Bij het betreden van niet-openbare (besloten)

plaatsen dient de particulier onderzoeker rekening te houden met de belangen en rechten van

anderen, onder wie de rechthebbende. In deze paragraaf worden normen gesteld om te

voorkomen dat een particulier onderzoeker een niet-openbare plaats betreedt en daar een tijdlang

onopgemerkt vertoeft of een pand binnendringt zonder medeweten van de rechthebbende. De

gedachte dat geen sprake is van “wederrechtelijk binnendringen” omdat de particulier

onderzoeker bij het betreden van de niet openbare (besloten) plaats (nog) geen weigering of

hindering heeft ondervonden is niet juist.

Sectornormering

1. Betreden van niet-openbare plaatsen geschiedt alleen met toestemming van de

rechthebbende of op grond van anderszins verkregen recht;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 29

2. een particulier onderzoeker maakt aan de rechthebbende of aan degene die namens deze

optreedt duidelijk kenbaar wie hij is en in welke hoedanigheid hij aanwezig is, zodra dit

redelijkerwijs mogelijk is;

3. indien onderzoeksbelangen daardoor niet worden geschaad, wordt aan de rechthebbende

gemeld waarom de plaats betreden wordt;

4. de handeling(en) die word(t)(en) uitgeoefend op de plaats die wordt betreden dienen zo

gericht mogelijk te worden uitgevoerd.

Toelichting:

Onder niet-openbare (besloten) plaatsen vallen woningen en andere niet-openbare en niet voor

een ieder toegankelijke plaatsen, zoals loodsen, fabrieks- of bedrijfsruimten, kantoorgebouwen of

erven. Openbare of voor een ieder toegankelijke gebouwen en plaatsen, zoals een winkel

gedurende openingstijden, de lounge van een hotel, een bardancing of een restaurant vallen niet

onder het begrip niet-openbare (besloten) plaats.

Artikel 138 van het WvSr verbiedt het wederrechtelijk binnendringen in woningen, lokalen en

erven die bij een ander in gebruik zijn. Om die reden is in de eerste norm opgenomen dat voor

het betreden toestemming van de rechthebbende vereist is. Er zijn situaties denkbaar dat de

particulier onderzoeker zich begeeft op een plaats zonder dat de rechthebbende hiervan

noodzakelijkerwijs op de hoogte is. Zo kan het bij een woningbrand gebeuren dat een eigenaarbewoner

onbereikbaar op vakantie is, terwijl de verzekeraar van het pand aan een particulier

onderzoeksbureau opdracht geeft om een toedrachtonderzoek in te stellen. Het betreden van de

plaats is dan toch mogelijk indien de zaakwaarnemende buurman toestemming verleent of de

verzekeringsvoorwaarden een beding bevatten dat het ontbreken van toestemming opvult.

7.3 Interviewen van personen

Algemeen

Een interview is een gesprek van een of meer particulier onderzoekers met een persoon met het

doel om aanwijzingen te vergaren over de al dan niet vermeende betrokkenheid van deze persoon

of een derde bij een te onderzoeken gedraging of om informatie te vergaren over iemand in het

kader van achtergrondonderzoeken. Als basisregel voor het interviewen geldt dat de

medewerking aan een onderzoek te allen tijde gebaseerd is op vrijwilligheid. Voorafgaand aan

het interview zal de particulier onderzoeker deze vrijwilligheid benadrukken. Tevens zal voor

aanvang van elk interview de reden van het onderzoek kenbaar worden gemaakt.

Sectornormering

1. Een particulier onderzoeker maakt voorafgaand aan het interview duidelijk kenbaar wie hij

is en informeert de bevraagde persoon over de reden waarom hij/zij geïnterviewd wordt en

waarvoor zijn/haar verklaring wordt gebruikt, alsmede dat de verklaring vrijwillig wordt

afgelegd. Op deze wijze wordt voorkomen dat de verklaring (tegen een ander) gebruikt

wordt, zonder dat de bevraagde persoon daarop bedacht is;

2. ondanks dat een ieder die onder een wettelijke of contractuele geheimhoudingsbepaling

valt zelf verantwoordelijk is voor de naleving daarvan, attendeert de particulier

onderzoeker de bevraagde persoon op de gevolgen van schending van deze plicht, één en

ander voor zover de geheimhoudingsbepaling aan de particulier onderzoeker bekend is, dan

wel redelijkerwijs bekend kan zijn;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 30

3. het verdient de voorkeur om het interview met de onderzochte persoon door twee personen,

waarvan tenminste één particulier onderzoeker te doen plaatsvinden. Als dat niet mogelijk

is kan volstaan worden met een bandopname van het interview of een integrale opname van

het interview op videoband. De onderzochte persoon moet hiervoor expliciete toestemming

hebben gegeven;

4. de particulier onderzoeker onthoudt zich van alles op grond waarvan gezegd kan worden

dat de verklaring van de bevraagde persoon niet in vrijheid is afgelegd;

5. het interview wordt (schriftelijk) vastgelegd en is een correcte weergave van hetgeen

besproken is. De particulier onderzoeker dient het interviewverslag binnen een redelijke

termijn aan de onderzochte persoon voor te leggen. De onderzochte persoon kan niet

gedwongen worden om het interviewverslag te lezen en/of te ondertekenen;

6. indien de onderzochte persoon tijdens het interview bijstand of vergezelling door een

advocaat of vertrouwenspersoon wenst, wordt dat overlegd met de opdrachtgever. Tegen de

achtergrond van de vrijwilligheid van het interview is bijstand of vergezelling als regel

toegestaan.

Toelichting:

De begripsomschrijving van “interview” moet worden bezien tegen de achtergrond van het type

onderzoeken waarmee particulier onderzoekers belast worden. Enerzijds zijn er onderzoeken

waarbij getracht wordt om vast te stellen of iemand al dan niet verwijtbaar betrokken is of is

geweest bij een bepaalde gedraging, anderzijds zijn er onderzoeken waarbij iemands

achtergrond nagetrokken wordt. Zodra er een min of meer officieel gesprek plaatsvindt over de

al dan niet vermeende betrokkenheid van iemand bij een onrechtmatige handeling of een

gearrangeerd gesprek plaatsvindt in het kader van een achtergrondonderzoek, is sprake van een

interview.

Van meet af aan moet dan voor anderen duidelijk zijn dat een particulier onderzoeker als

particulier onderzoeker optreedt. Een particulier onderzoeker mag daarover geen misverstand

laten bestaan. Het initiatief om te zeggen wie hij is en waarvoor hij komt dient bij de particulier

onderzoeker zelf te liggen. Op grond van de Wpbr dient de particulier onderzoeker zijn

legitimatiebewijs op verzoek te tonen Het komt de transparantie ten goede als de particulier

onderzoeker bij de aanvang van het interview het legitimatiebewijs toont en (eventueel) een

visitekaartje waarop diens naam is vermeld alsmede de naam en de contactgegevens van het

recherchebureau namens wie hij/zij optreedt.

Algemene vragen (zoals: “Kunt u mij vertellen op welk huisnummer de heer X woont” of het

inwinnen van inlichtingen bij openbare bronnen (zoals het informeren naar iemands

telefoonnummer bij KPN via 0900 8008 of het informeren naar de hoogte van de hypothecaire

lening op een woonhuis via het Koopfoonnummer 0900 2020201) vallen niet onder het begrip

“interview”. Dit soort algemene vragen wordt aangemerkt als sturingsinformatie, informatie die

nodig is om richting te geven aan het onderzoek.

Voor de sector particuliere onderzoeksbureaus gelden nauwelijks wettelijke bepalingen die het

interviewen normeren. De verplichting voor opsporingsambtenaren om voorafgaand aan een

verhoor aan een verdachte de cautie te geven (artikel 29 van het WvSv) geldt niet voor

particulier onderzoekers. Het zwijgrecht voor verdachten is bedoeld als waarborg tegen

ongeoorloofde druk van justitiële autoriteiten en tegen methoden om bewijs onder dwang en

tegen de wil van de verdachte te verkrijgen. De bepaling in de Wpbr, waarin gesteld wordt dat

van een beveiligingsorganisatie of particulier onderzoeksbureau mag worden verlangd “dat zal

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 31

worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of van

een goed particulier onderzoeksbureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht” is

te vaag om daaruit een interviewstandaard af te leiden.

De eerste norm is een uitwerking van artikel 33 van de WBP: indien gegevens worden verkregen

van een ander, moet de verantwoordelijke diens identiteit bekend maken nog vóór het moment

dat gegevens door de ander worden verstrekt en dient de ander geinformeerd te worden over het

doel waarvoor de gegevens zijn bestemd.

De derde norm is opgenomen opdat achteraf tijdens een rechtszaak kan worden gereconstrueerd

hoe het interview met de onderzochte persoon is verlopen. Dit is vooral van belang voor de

opdrachtgever als hij zich moet verdedigen tegen de stelling van de onderzochte persoon dat

sprake was van ongeoorloofde druk tijdens het interview (en dat daardoor bijvoorbeeld sprake

was van handelen in strijd met art. 6:770 BW, het goed werkgeverschap). Als het interview door

één persoon wordt uitgevoerd is het voor de opdrachtgever lastig om een dergelijk verweer

gemotiveerd te betwisten. Vandaar dat is aangegeven dat het de voorkeur verdient dat het

interview door twee personen geschiedt. De twee personen kunnen beide particulier onderzoeker

zijn; het is ook denkbaar dat de onderzoeker het interview uitvoert met een vertegenwoordiger

van de opdrachtgever (zoals een afdelingsmanager, een medewerker personeeldienst of een

bedrijfsrechercheur). Als het interview wordt opgenomen zijn ook voldoende mogelijkheden

aanwezig om de wijze waarop het interview is geschied te reconstrueren.

In de vierde norm wordt aangegeven dat de particulier onderzoeker zich onthoudt van alles

waarvan gezegd kan worden dat de verklaring van de bevraagde persoon niet in vrijheid is

afgelegd. Alleen al van het bevragen van iemand door een particulier onderzoeksbureau gaat een

zekere druk uit. Aangezien gesprekken gevoerd worden op basis van vrijwilligheid is doorgaans

geen sprake van ongeoorloofde druk. De grens tussen wat nog wel en wat niet meer geoorloofd

is, is moeilijk te trekken. Een indringende bevraging van de onderzochte persoon is op zichzelf

toegestaan. Zo is toegestaan dat iemand die ontkent, geconfronteerd wordt met (ander)

bewijsmateriaal en mag gewezen worden op de zwakheid van diens positie. Er is echter wel

sprake van ongeoorloofde druk indien lichamelijke druk wordt gebruikt. Ongeoorloofd is ook het

doen van beloften die niet waar gemaakt kunnen worden of verbaal geweld.

In de praktijk komt het voor dat bij onderzochte personen een vrij defensieve interviewtechniek

wordt toegepast. Bij deze interviewtechniek wordt voorafgaand aan het gesprek zoveel mogelijk

materiaal verzameld over de onderzochte persoon en diens achtergrond, de zaak zelf, de

administratieve procedures en de (digitale of administratieve) sporen die duiden op verwijtbare

betrokkenheid van de onderzochte persoon. In het daarop volgende gesprek wordt de

onderzochte persoon zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten door middel van “open vragen”

(wie, wat, waarmee, wanneer etc). Tijdens dit gesprek blijkt vanzelf of iemand liegt en of feiten

verdraaid worden. Met deze leugens wordt hij vervolgens geconfronteerd, zodat hij uiteindelijk

gaat inzien dat verder ontkennen zinloos is.

De tweede volzin van de vijfde norm is vooral van belang voor de opdrachtgever als de

onderzochte persoon tijdens een rechtszaak stelt dat wat hij tijdens het interview gezegd heeft

onjuist is weergegeven. Door het overleggen van de uitgewerkte verklaring kan de opdrachtgever

een dergelijk verweer gemotiveerd weerleggen.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 32

7.4 Observatie

Algemeen

Observatie vindt plaats indien gedragingen van iemand of hetgeen bekend moet worden om

onderzoekstactische redenen niet rechtstreeks aan de onderzochte persoon of een derde gevraagd

kan worden. Observatie kan ondersteund worden met technische hulpmiddelen (zoals camera’s,

zie paragraaf 7.5) of plaatsbepalingapparatuur (zoals GPS-apparatuur bij het volgen van

voertuigen).

Sectornormering

1. Naarmate de observatie meer in het openbaar plaatsvindt, zal er minder snel van een inbreuk

op de privacy sprake zijn en is observatie in beginsel toegelaten;

2. indien de observatie – ook in het openbaar - langdurig en systematisch (dynamisch volgen)

plaatsvindt is observatie slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan;

3. de sector particuliere onderzoeksbureaus onthoudt zich, van observatie van personen indien

deze personen verkeren in situaties, waarbij zij er aanspraak op moeten kunnen maken

onbevangen zichzelf te zijn;

4. een rapport inzake observatie beperkt zich tot de waarneming van die gedragingen die

relevant zijn voor de opdrachtgever.

Toelichting:

Observatie is een belangrijke onderzoeksmethode als er duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand

zich schuldig maakt of zal maken aan laakbaar en/of strafbaar handelen of indien er gerede

twijfel is omtrent de juistheid en volledigheid van de feiten op grond waarvan een

uitkering worden wordt verlangd of verleend. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen

statische observatie en dynamische observatie (volgen). In het eerste geval wordt uitgegaan van

het gadeslaan van (een) perso(o)n(en), goederen en/of situaties vanuit een bepaalde positie

(bijvoorbeeld een vast observatiepunt met doorkijkspiegel). Bij dynamische observatie gaat het

om het volgen van de activiteiten van een bepaalde perso(o)n(en), goederen en/of situaties.

Observatie kan met gewone zintuiglijke waarnemingen geschieden (directe observatie), maar ook

door gebruik te maken van video- en fotocamera's (indirecte observatie). In de regel zal

observatie heimelijk zijn. Dit betekent dat personen worden gadegeslagen zonder dat zij hiervan

op de hoogte zijn.

Uit verschillende rechterlijke uitspraken kan worden geconcludeerd dat een inbreuk op de

privacy niet snel wordt aangenomen wanneer de observatie betrekking heeft op gedragingen die

in het openbaar plaatsvinden. Personen die zich in het voor het publiek toegankelijke domein

bevinden, dienen er rekening mee te houden dat anderen (iedere willekeurige buitenstaander)

hen kunnen waarnemen. Het begrip “openbaar” is ruimer dan de openbare weg.

Ook voor het publiek toegankelijke plaatsen vallen daar onder. Zo is de lounge van een hotel en

een winkel gedurende openingstijden een voor publiek toegankelijke ruimte. De onder één

genoemde norm is op deze jurisprudentie gebaseerd.

De onder twee genoemde norm ziet onder meer op observatie waarbij gebruik gemaakt wordt

van zintuigversterkende hulpmiddelen zoals een verrekijker of de telelens van een camera. Het

gebruik van deze technische hulpmiddelen, is toegestaan. Het gebruik van andere technische

hulpmiddelen, zoals een GPS-baken (Global Position System), is slechts in beperkte mate

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 33

toegestaan, indien dit ondersteunend is aan de observatie. Het plaatsen van een GPS-baken op

een te volgen voertuig maakt het mogelijk dit voertuig op afstand te volgen en daarmee de

observatie professioneler te doen verlopen.

Daarmee kan tevens worden voorkomen dat halsbrekende toeren in het verkeer moeten worden

uitgehaald om te voorkomen dat de geobserveerde uit het zicht geraakt. De inzet van dit middel

is beperkt tot bedrijfsvoertuigen en privé-voertuigen die bedrijfsmatig gebruikt worden door de

onderzochte persoon en is verder beperkt tot die tijden die relevant zijn voor de

onderzoeksopdracht. Het aanbrengen van een technisch hulpmiddel in iemands persoonlijke

eigendommen zodat op elk moment een exact en volledig inzicht wordt verkregen van de plaatsen

waar de geobserveerde is of is geweest, maakt een te grote inbreuk op de privacy en vindt geen

rechtvaardiging in de aard van de opdracht. Ook de duur van de observatie in combinatie met de

frequentie kan er toe leiden dat een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde

aspecten van iemands leven, waardoor een niet toegestane inbreuk op de privacy gemaakt wordt.

Bij de onder drie genoemde norm wordt gesproken over situaties waarbij geobserveerde

personen er aanspraak op moeten kunnen maken onbevangen zichzelf te zijn. In dit kader kan

gedacht worden aan woningen, hotelkamers, badhokjes in zwembaden, paskamers in winkels,

relaxinrichtingen en toiletruimten. Daarbij wordt opgemerkt dat het gedurende enkele momenten

met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan van iemand die zich in een woning bevindt,

terwijl de ramen niet zijn afgeschermd, niet onder de beperking van de norm valt.

De vierde norm brengt tot uiting dat observatie nauwgezet gerelateerd dient te zijn aan de

onderzoeksopdracht. Indien bijvoorbeeld vermoedt wordt dat een uitkeringsgerechtigde van een

arbeidsongeschiktheidsverzekering rugletsel veinst, dient de observatie zich te beperken tot

gedragingen als het tillen of het slepen van zware voorwerpen. Vooraf moet worden bepaald tot

welk resultaat de observatie moet kunnen leiden, bijvoorbeeld het vaststellen dat iemand een

ongeoorloofde nevenactiviteit verricht of het vaststellen dat iemand bijklust tijdens ziekte.

7.5 Heimelijke observatie door middel van camera’s

Algemeen

Verborgen camera’s worden in voorkomende gevallen ingezet indien gedragingen van (een)

onderzochte perso(o)n(en) moeten worden vastgelegd en/of om duidelijkheid te verkrijgen

omtrent de identiteit van de vermoedelijke dader(s)/perso(o)n(en) die onrechtmatig handel(t)(en),

om zodoende jegens de onderzochte perso(o)n(en) maatregelen te doen nemen door de

opdrachtgever van de sector particuliere onderzoeksbureaus.

Indien een verborgen camera wordt ingezet is extra zorgvuldigheid geboden omdat een

verborgen camera al snel inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer. Dit is ook door de

wetgever onderkend. Een tweetal verbodsbepalingen in het WvSr heeft specifiek betrekking op

het heimelijk observeren van personen met camera’s (artikel 139f en artikel 441b). Beide

bepalingen verbieden het vervaardigen van afbeeldingen van iemand met een technisch

hulpmiddel, indien dat heimelijk geschiedt én indien dat wederrechtelijk is. Bij de

totstandkoming van deze artikelen is onderkend dat verborgen camera’s in voorkomende

gevallen ingezet kunnen worden als particulier onderzoeksmiddel. Als algemene voorwaarde

geldt dat de geobserveerde (werknemers of verzekerden) vooraf in algemene zin over het bestaan

van deze mogelijkheid in kennis is gesteld. Voor werknemers kan dit in kennis stellen

bijvoorbeeld geschieden door middel van een circulaire aan het personeel, waarin is omschreven

onder welke omstandigheden de werkgever zich de mogelijkheid voorbehoudt om heimelijke

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 34

opnamen te maken. In dat geval is geen sprake van een strafbaar feit omdat aan het

kenbaarheidvereiste wordt voldaan. In situaties waarin het heimelijk cameratoezicht niet kenbaar

wordt gemaakt, is het aan de rechter om te beoordelen of er al dan niet sprake is van

wederrechtelijkheid. Voor particulier onderzoekers betekent dit dat zij zich bij de opdrachtgever

moeten vergewissen of de mogelijkheid tot de inzet van heimelijke camera’s bekend gemaakt is

en hoe. Als blijkt dat er geen algemene vooraankondiging heeft plaatsgevonden dient

onderstaande normering in acht te worden genomen.

Sectornormering

1. Het gebruik van de verborgen camera geschiedt alleen op incidentele basis indien er

duidelijke aanwijzingen zijn dat iemand zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan ernstig

laakbaar en/of strafbaar handelen of indien er gerede twijfel is omtrent de juistheid en

volledigheid van de feiten op grond waarvan een uitkering worden wordt verlangd of

verleend en het gebruik van de verborgen camera noodzakelijk is voor het leveren van

bewijs;

2. indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden zijn om de laakbare en/of strafbare

gedraging aan het licht te brengen, dienen deze te worden toegepast;

3. situaties waarin personen de gerechtvaardigde verwachting hebben dat zij onbevangen

zichzelf moeten kunnen zijn, worden ontzien;

4. het cameragebruik vindt zo gericht mogelijk plaats;

5. de periode waarin de camera wordt gebruikt is beperkt;

6. misbruik van de beelden wordt tegen gegaan;

7. er vindt een evaluatie plaats met de onderzochte persoon over de cameraopnamen, indien de

beelden daartoe aanleiding geven en overwogen wordt het materiaal te gebruiken in een

(gerechtelijke) procedure, een en ander voor zover het belang van het onderzoek dat toelaat;

8. niet relevant gebleken gegevens worden vernietigd.

Toelichting:

Door het opnemen van het bestanddeel “wederrechtelijk” in beide strafbepalingen wordt ruimte

geschapen voor een afweging in concrete situaties, waarbij sprake is van conflicterende

(grond)rechten. Iemand die met een verborgen camera betrapt wordt terwijl hij zijn werkgever

besteelt, zou kunnen stellen dat zijn privacy geschonden is, omdat de aanwezigheid van de

camera niet kenbaar is gemaakt. De werkgever daarentegen zal stellen dat de visueel

geobserveerde inbreuk heeft gemaakt op diens eigendomrechten en dat hij deze diefstal op geen

andere wijze had kunnen vaststellen dan door een verborgen camera te plaatsen.

De sectornormering is gebaseerd op de checklist van het CBP (toen nog Registratiekamer) voor

heimelijk cameratoezicht van 23 juli 1998. Hieraan is toegevoegd dat het gebruik van de

verborgen camera alleen is toegestaan indien dat noodzakelijk is voor het leveren van bewijs dat

iemand zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan ernstig laakbaar en/of strafbaar handelen. Met

deze toevoeging is het risico zo klein mogelijk gemaakt dat de artikelen 139f of 441b van het

WvSr worden overtreden. In de normen 2, 4 en 5 wordt het noodzakelijkheidsvereiste van de

eerste norm expliciet tot uitdrukking gebracht.

Hieronder volgt bij wijze van voorbeeld een tweetal situaties waarbij het in het verleden is

voorgekomen dat een heimelijke camera is ingezet. In deze gevallen is het niet mogelijk om

aangifte in de zin van het WvSv te doen bij de politie. Er is dan geen sprake van strafbaar gedrag

door betrokkene, maar laakbaar gedrag.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 35

1. Stalking en benadeling via de post

Een organisatie ontving grote aantallen poststukken via het (voor de verzender gratis)

antwoordnummer. Het betrof honderden blanco brieven per week alsmede zware pakketten met

vloeistof. De afzender is anoniem. Doordat de poststukken altijd via hetzelfde postkantoor aan

TPG Post werden aangeboden kon door middel van getuigenverklaringen en ander speurwerk

worden vastgesteld wie de vermoedelijke afzender was. Absolute zekerheid was er echter niet.

Om die reden zijn van de vermoedelijke afzender heimelijk foto’s gemaakt toen deze in zijn auto

stapte. Deze foto’s zijn getoond aan het personeel van het postkantoor, met positieve herkenning

als gevolg. Betrokkene is op zijn huisadres aangeschreven met het dringende verzoek zijn

handelingen te staken. Vanaf die dag is er geen ongewenste post meer ontvangen.

2. Misbruik computersystemen

In een bedrijf wordt vastgesteld dat een bepaalde gebruiker (user-id en password zijn bekend) de

bedrijfscomputer gebruikt om hackerssoftware te downloaden van internet, met enorme risico’s

voor de technische infrastructuur als gevolg. Ook wordt vastgesteld dat het internet met dit

password altijd vanuit één vaste werkplek benaderd wordt (iedere internetcomputer kent een IPadres).

Ervaring heeft geleerd dat degene aan wie het password is afgegeven en die normaliter gebruik

maakt van die werkplek niet perse degene hoeft te zijn die de bedrijfsregels schendt. Ondanks

gedragsregels die dat verbieden kan niet worden voorkomen dat passwords gedeeld worden. In

dit geval biedt alleen de verborgen camera uitkomst. Door een camerapositie met zicht op de

werkplek kon worden vastgelegd wie daadwerkelijk het vertrouwen schond.

In een tweetal hierna opgenomen situaties is er wel sprake van strafbaar handelen en heeft de

rechter zich concreet uitgesproken over het gebruik van de heimelijke camera.

In Hoge Raad 27 april 2001, Rechtspraak van de Week 2001, nr. 97 oordeelde de rechter over

het bewijs dat met een verborgen camera was verkregen. In deze casus had de werkgever het

vermoeden dat kassier T bij herhaling verduistering pleegde. Een particulier recherchebureau

plaatste gedurende een periode van vier weken een verborgen camera, gericht op de kassa.

Aangezien op de kassa meerdere medewerkers werkzaam waren, zijn ook de gedragingen van

caissière L vastgelegd. Uit de vastgelegde afbeeldingen bleek dat L bij herhaling verduistering

pleegde. De rechter oordeelde dat het er niet toe deed dat de verdenking alleen tegen T bestond

en dat het in feite op toeval berustte dat ook L werd betrapt. Er is geen inbreuk op de privacy

gemaakt, omdat er reeds een concreet vermoeden van verduistering bestond (door T) en de

gedragingen niet op een andere manier dan met behulp van de camera konden worden

vastgelegd.

Een ander voorbeeld van de Kantonrechter Schiedam van 8 juli 1997, JAR 1997, 189, betreft een

bedrijf dat al geruime tijd geplaagd werd door diefstal van pakken koffie en limonade uit de

kantine. Via een informatiebulletin werd het personeel gewaarschuwd dat diefstal niet

getolereerd werd. Met behulp van een verborgen camera werd aangetoond dat een werknemer

meermalen spullen wegnam. Hij werd op staande voet ontslagen. Het beroep van de werknemer

op onrechtmatig verkregen bewijs werd door de rechter verworpen. De werkgever heeft een

gerechtvaardigd belang om te achterhalen wie van haar werknemers het in hem gestelde

vertrouwen schond, aldus de rechter.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 36

7.6 Onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen

Algemeen

Veel bedrijven beschikken over geautomatiseerde voorzieningen, zoals een computernetwerk. In

zo'n netwerk heeft iedere werknemer door middel van een personal computer toegang tot zijn

eigen werkgebied waarop hij kan inloggen door middel van de user-id en zijn wachtwoord.

Daarnaast beschikken veel werknemers over bedrijfsmiddelen, zoals laptops en mobiele

telefoons. De rechthebbende van het computernetwerk respectievelijk de aan de werknemer

beschikbaar gestelde bedrijfsmiddelen moet in staat zijn om na te gaan op welke wijze er gebruik

wordt gemaakt van deze bedrijfsvoorzieningen, ter controle op de naleving op de gedragsregels

op het gebruik daarvan of ter voorkoming van risico’s (voor de technische infrastructuur). Om

die reden worden handelingen van werknemers op computers, op computernetwerken en/of het

gebruik van computerdiensten (zoals internet) veelal vastgelegd (“gelogd”). Een werkgever is

verplicht zijn personeel hierover te informeren op grond van artikel 34 van de WBP. Voorts is de

werkgever verplicht om over dit vastleggen van gegevens van personeelsleden en het gebruik

daarvan te overleggen met de ondernemingsraad op grond van artikel 27 van de Wet op de

Ondernemingsraden een en ander voor zover op personeel betrekking hebbende gegevens op

structurele basis worden vastgelegd. Zie voor onderzoek in e-mailberichten paragraaf 7.7.3.

Sectornormering

1. Het onderzoek in een geautomatiseerde voorziening is alleen toegestaan in opdracht van de

rechthebbende op deze voorziening. Veelal zal dit de opdrachtgever zijn;

2. het onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen is alleen toegestaan in geval van een

vermoeden van misbruik van de geautomatiseerde voorzieningen of in geval van verdenking

van een ander ernstig laakbaar en/of strafbaar handelen;

3. een thuiswerkplek wordt niet betrokken bij het onderzoek in geautomatiseerde voorzieningen.

Indien onderzoek noodzakelijk is in geautomatiseerde voorzieningen die de werkgever

beschikbaar gesteld heeft aan zijn werknemers, dient de werkgever deze terug te vorderen,

opdat onderzoek elders plaatsvindt;

4. indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden zijn om de laakbare en/of strafbare

gedraging(en) aan het licht te brengen, dienen deze te worden toegepast;

5. er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen die de integriteit van de in

de geautomatiseerde voorziening opgeslagen data intact laten;

6. het onderzoek vindt zo gericht mogelijk plaats;

7. het geschiedt alleen op incidentele basis;

8. niet relevant gebleken gegevens worden vernietigd.

Toelichting:

Indien de sector particuliere onderzoeksbureaus optreedt in het verlengde van de rechthebbende

van een geautomatiseerde voorziening (zoals het computernetwerk van een bedrijf of een door

het bedrijf aan een medewerker beschikbaar gestelde personal computer), is onderzoek, waarbij

de op de bedrijfsserver of de harde schijf opgeslagen data benaderd worden geoorloofd. Er is

dan geen sprake van “wederrechtelijk binnendringen” in de zin van artikel 138a van het WvSr.

In dat geval is ook geen sprake van gekwalificeerde computer- vredebreuk (art. 138a lid 2

WvSr), indien het inkijken in de gegevens gevolgd wordt door het overnemen van de gegevens en

deze voor zichzelf of een ander wordt vastgelegd (ontvreemden van gegevens).

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 37

Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de gebruikers van het geautomatiseerde

systeem in algemene zin te informeren dat handelingen op computers, op computernetwerken

en/of het gebruik van computerdiensten worden vastgelegd en onder welke omstandigheden de

vastgelegde gegevens in de geautomatiseerde voorzieningen kunnen worden onderzocht.

7.7 Vertrouwelijke communicatie

Algemeen

Vertrouwelijke communicatie kan plaatsvinden door het gesproken of geschreven woord of door

de overdracht van signalen via de ether of de kabel. Onder vertrouwelijke communicatie valt

bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, een niet openbaar e-mailbericht of het niet

voor derden bestemde berichtenverkeer via de telecommunicatie-infrastructuur. In de hierna

opgenomen paragrafen is telkens opgenomen dat, indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden

zijn om het verweten gedrag aan het licht te brengen of om bewijs te vergaren

voor een verweten gedraging, deze de voorkeur hebben. Voor onderzoeken waarbij

communicatie een rol speelt betekent dit, dat het in het algemeen minder ingrijpend is de

uiterlijke vorm van communicatie te onderzoeken (identificerende gegevens en

verkeersgegevens) dan het doen van onderzoek naar de inhoud van de communicatie (wat er

gezegd is of wat er geschreven is).

7.7.1 Meeluisteren en opnemen van gesprekken in besloten en niet besloten ruimten

Sectornormering

1. De particulier onderzoeker is deelnemer aan het gesprek èn neemt de eerste norm van het

interviewen van personen in acht (zie hiervoor paragraaf 7.3); of

2. de particulier onderzoeker handelt in opdracht van een deelnemer aan een gesprek;

3. indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden zijn om de laakbare en/of strafbare

gedraging(en) aan het licht te brengen of om bewijs te vergaren voor de laakbare en/of

strafbare gedraging(en), dienen deze te worden toegepast;

4. het meeluisteren en opnemen vindt zo gericht mogelijk plaats;

5. de periode waarin wordt meegeluisterd of opgenomen dient zo beperkt mogelijk te zijn;

6. niet relevant gebleken gegevens worden vernietigd.

Toelichting:

De sector particuliere onderzoeksbureaus werkt regelmatig in opdracht van personen die

(telefoon)gesprekken die zij zelf met een ander voeren willen vastleggen, zonder dat de ander

daarvan op de hoogte is. In dat geval worden hulpmiddelen gebruikt die in feite als technisch

geheugen van de opdrachtgever fungeren. Een bandopname van een (telefoon)gesprek wordt

vaak in een juridische procedure overhandigd als ondersteuning van een getuigenverklaring van

gelijke strekking. Meermalen hebben rechters overwogen dat gesprekspartners er vanuit moeten

gaan dat hun (telefoon)gesprekken worden meegeluisterd, dan wel opgenomen. Bij hulpmiddelen

kan gedacht worden aan het beschikbaar stellen van een bandrecordertje aan de

gespreksdeelnemer of aan het installeren van een kabelmicrofoon in de ruimte waar het gesprek

plaatsvindt. Indien gebruik gemaakt wordt van een zendertje moet rekening worden gehouden

met de bepalingen van de Telecommunicatiewet. Daarin is vastgelegd dat de aanleg en het

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 38

gebruik van een zender slechts is geoorloofd, indien voor het gebruik ervan aan de houder van

het apparaat een vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte (artikel 10.16 van

de Telecommunicatiewet).

Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat de artikelen 139a en 139b van het WvSr het

afluisteren van gesprekken met een technisch hulpmiddel, anders dan in opdracht van een

deelnemer van het gesprek, verbieden, alsmede het opnemen van een gesprek zonder deelnemer

aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van een deelnemer strafbaar stellen.

7.7.2 Aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken

Sectornormering

1. Het aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken is alleen toegestaan in opdracht van de

rechthebbende van de voor telecommunicatie gebezigde aansluiting. Veelal zal dit de

opdrachtgever zijn;

2. aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken is alleen toegestaan indien dat noodzakelijk

is voor het leveren van bewijs dat de onderzochte persoon zich schuldig maakt of heeft

gemaakt aan ernstig laakbaar en/of strafbaar handelen;

3. indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden zijn om de laakbare en/of strafbare

gedraging(en) aan het licht te brengen of om bewijs te vergaren voor de laakbare en/of

strafbare gedraging(en), dienen deze te worden toegepast;

4. de periode waarin wordt getapt of telefoongesprekken worden opgenomen is beperkt;

5. het aftappen en/of opnemen van telefoongesprekken vindt zo gericht mogelijk plaats;

6. niet relevant gebleken gegevens worden vernietigd.

Toelichting:

In artikel 139c van het WvSr is vastgelegd dat het aftappen of opnemen met een technisch

hulpmiddel van gegevens die worden overgedragen via de telecommunicatie-infrastructuur of

door middel van daarop aangesloten randapparatuur in beginsel strafbaar is. Deze

verbodsbepaling is onder meer van toepassing op telefoongesprekken. Voor de gerechtigde tot de

voor telecommunicatie gebezigde aansluiting heeft de wetgever een uitzondering gecreëerd. De

Memorie van Toelichting noemt het voorbeeld van een werknemer die een gesprek voert met de

telefoon van zijn werkgever. Dit zal minder als een inbreuk op de privacy worden ervaren,

althans eerder worden geaccepteerd, omdat gebruik gemaakt is van bedrijfsfaciliteiten en omdat

de werkgever in staat moet zijn om na te gaan welk gebruik er van de aansluiting wordt gemaakt.

De grens van hetgeen toegestaan is komt in de strafbepaling tot uitdrukking door aan te duiden

dat de uitzondering niet geldt als er sprake is van “kennelijk misbruik”. Het aftappen en/of

opnemen van telefoongesprekken is niet strafbaar indien de normering in acht genomen wordt.

7.7.3 Onderzoek van e-mailberichtenverkeer

Sectornormering

1. Het aftappen en inzien van e-mailberichten is alleen toegestaan in opdracht van de

rechthebbende op het communicatienetwerk. Veelal zal dit de opdrachtgever zijn;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 39

2. het aftappen en inzien van emailberichten is alleen toegestaan in geval van het vermoeden

van misbruik van het bedrijfsnetwerk door de onderzochte persoon of in geval van

verdenking van ander ernstig laakbaar of strafbaar handelen;

3. indien er minder ingrijpende onderzoeksmogelijkheden zijn om de laakbare en/of strafbare

gedraging(en) aan het licht te brengen of om bewijs te vergaren voor de laakbare en/of

strafbare gedraging(en), dienen deze te worden toegepast;

4. indien de e-mailberichten versleuteld worden zonder medeweten en/of toestemming van de

rechthebbende op het communicatienetwerk kunnen de computerhandelingen van de

onderzochte persoon leesbaar respectievelijk inzichtelijk worden gemaakt door het plaatsen

van een bug;

5. het onderzoek vindt zo gericht mogelijk plaats;

6. de periode van het onderzoek is beperkt;

7. niet relevant gebleken gegevens worden vernietigd.

Toelichting:

Onderzoek van de e-mailbox houdt in het aftappen en/of inzien van e-mailberichten en/of

berichten die zijn opgeslagen in de e-mailbox.

In het WvSr is een aantal strafbepalingen opgenomen die betrekking hebben op het aftappen

en/of inzien van e-mail.

Artikel 139a van het WvSr verbiedt het opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn met een

technisch hulpmiddel heimelijk aftappen of opnemen van gegevens die in een woning, besloten

lokaal of erf door middel van een geautomatiseerd werk worden verwerkt of opgeslagen. Deze

strafbepaling heeft onder andere betrekking op het verzenden van berichten via een besloten

bedrijfsnetwerk.

Artikel 139c van het WvSr verbiedt het aftappen of opnemen met een technisch hulpmiddel van

gegevens die worden overgedragen via de telecommunicatie-infrastructuur of door middel van

daarop aangesloten randapparatuur. Deze verbodsbepaling is eveneens van toepassing op het

aftappen van e-mailberichten die worden verzonden en/of worden ontvangen.

Artikel 138a van het WvSr verbiedt het opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen in iemands

e-mailbestanden alsmede het overnemen van gegevens.

Bovenvermelde strafbepalingen worden in beginsel niet overtreden, indien deze normering in

acht genomen wordt.

Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de gebruikers van de

e-mailfunctionaliteit in algemene zin te informeren dat en onder welke omstandigheden het

e-mailberichtenverkeer afgetapt en/of ingezien kan worden.

7.8 Proefaankoop en pseudoklant

Algemeen

Een proefaankoop is een handeling waarbij het particulier onderzoeksbureau iets afneemt van een

ander met de bedoeling gegevens te verzamelen over de wijze van afhandeling van de transactie,

dan wel om specifieke gegevens van de verkopende partij en/of het te koop aangebodene te

verkrijgen. In het geval van een pseudoklant doet de particulier onderzoeker zich voor als

(potentiële) klant om gedragingen van de dienstverlener waar te nemen als deze zijn dienst

aanbiedt of uitvoert.. Bij beide activiteiten maakt de particulier onderzoeker diens ware identiteit

of reden van de proefaankoop of het verzoek om een dienst te verlenen niet bekend.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 40

Sectornormering

1. De verkoper of aanbieder van de dienst mag niet aangezet worden of in de verleiding worden

gebracht iets te doen of na te laten wat hij anders op eigen initiatief ook niet zou hebben

gedaan;

2. de proefaankoop of het zich voordoen als klant dient zo gericht mogelijk te zijn;

3. dat goederen en/of gegevens zijn aangekocht of dat een dienst is afgenomen dient expliciet

in de onderzoeksrapportage te worden vastgelegd, alsmede de wijze van betalen.

Toelichting:

In de praktijk zijn er verschillende soorten van proefaankopen. Zo komt het voor dat

winkelbedrijven aan particuliere onderzoeksbureaus opdracht geven om reguliere aankopen te

doen in hun winkel of winkels om te verifiëren of de kassamedewerkers zich houden aan de

geldende kassa-instructies (mystery guesting). Het komt ook voor dat personen voorwerpen of

gegevens (informatie) aanbieden die onrechtmatig onttrokken zijn aan de opdrachtgever of aan

een derde. In die gevallen moet veelal eerst geverifieerd worden of het inderdaad voorwerpen of

gegevens van de opdrachtgever of van een derde betreffen of er moet een beeld worden

verkregen van de (betrouwbaarheid van de) aanbieders. Soms wordt voor dit doel voorafgaande

aan de proefaankoop samengewerkt met opsporingsautoriteiten (al dan niet in het kader van

bijstandsverlening ex-artikel 126ij van het WvSv). Soms wordt een proefaankoop gedaan om

vast te stellen of de goederen of de gegevens van misdrijf afkomstig zijn en wordt de politie in

kennis gesteld, indien dat is vastgesteld, zodat de politie de gehele partij in beslag kan nemen.

Aan een eenmalige transactie kunnen meerdere contacten ter voorbereiding van de transactie

vooraf gaan. Zolang nog niet vaststaat dat de aangeboden voorwerpen of gegevens

daadwerkelijk van misdrijf afkomstig zijn, is de kans gering dat de particulier onderzoeker zich

schuldig maakt aan heling door goederen of gegevens van de aanbieder af te nemen. Indien is

vastgesteld dat de goederen respectievelijk de gegevens van misdrijf afkomstig zijn, dient de

particulier onderzoeker zich te onthouden van verdere aankopen van dit bewuste product

respectievelijk deze bewuste gegevens. Het is dan aan de opdrachtgever om te bepalen of de

politie ingeschakeld moet worden.

Bij het optreden als pseudoklant kan gedacht worden aan situaties dat de particulier

onderzoeker zich meldt als (potentiële) klant voor een dienst die door de onderzochte persoon

wordt aangeboden, zoals een knipbeurt of een medische behandeling. Het afnemen van deze

dienst kan geboden zijn als er concrete aanwijzingen zijn dat de onderzochte persoon een

degelijke dienst aanbiedt en uitvoert en daarmee het vermoeden bestaat dat hij ten onrechte een

uitkering geniet (bijvoorbeeld een periodieke uitkering op basis van een inkomstenverzekering

tegen geheel of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid). De onderzoeksmethode kan ook worden

ingezet om concurrerende - niet toegestane - werkzaamheden vast te stellen. In het eerste geval

is het doel van het afnemen van de dienst het aanschouwen van de lichamelijke en/of mentale

(on)mogelijkheden teneinde deze te vergelijken met wat van betrokkene bekend is uit het

(verzekerings) dossier. In het tweede geval is het doel om vast te stellen of iemand zich aan zijn

afspraken houdt (concurrentiebeding). Door op deze wijze gegevens te vergaren is feitelijk

sprake van observatie en gelden tevens de daarop van toepassing zijnde normen (zie hiervoor

par. 7.4).

De normering voor proefaankopen is met name geschreven voor de soort van proefaankopen

anders dan mystery guesting. Bij deze proefaankopen is het risico aanwezig dat de verkoper

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 41

wordt uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten, hetgeen tot gevolg heeft dat ook de particulier

onderzoeker zich schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorkomen moet worden dat een

particulier onderzoeksbureau (strafrechtelijk) verwijtbaar betrokken raakt bij het plegen van

strafbare feiten door anderen, die voorheen niet de intentie hadden om strafbare feiten te

plegen. Om die reden dient de verkoper steeds het initiatief te nemen om goederen en/of diensten

aan te bieden. De particulier onderzoeker moet zich steeds afvragen of de verkoop van de

goederen of het verrichten van de dienst ook zou zijn geschied als hij zich niet had gemeld als

gegadigde.

Hij moet de overtuiging hebben dat de verkoper zich zou hebben ingespannen om een andere

gegadigde te zoeken om vervolgens aan deze de goederen te verkopen of de dienst aan te bieden.

Ook mogen geen hogere bedragen worden geboden dan de gangbare bedragen.

7.9 Vastlegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en –middelen

Indien een particulier onderzoeksbureau één van de in de paragrafen 7.1 tot en met 7.8 genoemde

onderzoeksmethoden of –middelen heeft toegepast wordt hiervan een verslag opgemaakt, onder

vermelding van de gronden die tot de toepassing van de gehanteerde onderzoeksmethode c.q. –

middel hebben geleid. Het verslag maakt deel uit van het dossier en zodoende van de opdrachtenc.

q. voorvallenregistratie, maar vormt geen onderdeel van het onderzoeksrapport, tenzij met de

opdrachtgever anders is overeengekomen. Door middel van deze verslaglegging is achteraf

toetsing mogelijk op de juiste toepassing van onderzoeksmethoden- en middelen. Dat is van

belang voor de beoordeling van klachten ex-artikel 18 van de Regeling particuliere

beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en voor de beoordeling door het CBP van een

verzoek ex-artikel 47 WBP, alsmede voor de geschillenregeling van de gedragscode. De

reikwijdte van het recht tot inzage in het onderzoeksdossier door de onderzochte persoon als

vastgelegd in paragraaf 9.1 van deze gedragscode omvat - onder de daar gestelde voorwaarden en

beperkingen - ook de verslaglegging van gehanteerde onderzoeksmethoden en

onderzoeksmiddelen.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 42

8 Informatieverstrekking aan de onderzochte perso(o)n(en)

8.1 Informatieverstrekking aan de onderzochte persoon (uitwerking artikel 33, 34 en 43

WBP)

Wettelijk kader

Een belangrijk uitgangspunt van de WBP is dat de verantwoordelijke verplicht is een betrokkene

op enig moment te informeren over de verwerking van persoonsgegevens.

Indien persoonsgegevens rechtstreeks van de onderzochte persoon worden verkregen, bepaalt

artikel 33 WBP dat de verantwoordelijke vóór het moment van verkrijging aan deze mededeelt

wat diens identiteit is, alsmede wat de doeleinden van de verwerking zijn.

Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan rechtstreeks van de

onderzochte persoon, bepaalt artikel 34 van de WBP dat de verantwoordelijke de hiervoor

genoemde informatie aan de onderzochte persoon mededeelt:

· op het moment van vastlegging van die gegevens, of

· wanneer de gegevens bestemd zijn om aan een derde te worden verstrekt, uiterlijk op het

moment van de eerste verstrekking.

De informatieverstrekking kan achterwege blijven indien de verantwoordelijke op goede gronden

mag aannemen dat de onderzochte persoon daarvan reeds op de hoogte is.

De verantwoordelijke kan het informeren van de onderzochte persoon tevens achterwege laten

voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

- de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

- de rechten en vrijheden van anderen dan de onderzochte persoon, de verantwoordelijke en

de opdrachtgever daaronder begrepen.

Sectornormering

In het onderzoeksdossier dient duidelijk kenbaar te zijn dat onderzochte persoon is geïnformeerd

door middel van een brief of, in het geval een (confronterend) gesprek (door het particulier

onderzoeksbureau) met de onderzochte persoon is gevoerd, door een gespreksverslag waaruit

blijkt dat de onderzochte persoon (door het particulier onderzoeksbureau) is geïnformeerd. Het

niet informeren van de onderzochte persoon met een beroep op artikel 43 van de WBP is alleen

mogelijk in uitzonderlijke gevallen. De toepassing van de uitzonderingsgronden zijn

onderworpen aan het noodzaakcriterium.

In de chronologie van een particulier rechercheonderzoek en in de verhouding tussen de

opdrachtgever en het particulier onderzoeksbureau geschiedt de informatieverstrekking aan de

onderzochte persoon als volgt:

Voorafgaand aan het onderzoek:

1. In het intakegesprek tussen de opdrachtnemer en de opdrachtgever én nog voordat een

aanvang wordt gemaakt met de recherchewerkzaamheden wijst het particulier

onderzoeksbureau de opdrachtgever op de op het particulier onderzoeksbureau (als

verantwoordelijke in de zin van de WBP) rustende informatieverplichting jegens de

onderzochte persoon;

2. in dat gesprek wordt vastgesteld of de onderzochte persoon al op de hoogte is van een jegens

hem in te stellen onderzoek;

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 43

3. in de schriftelijke opdrachtbevestiging die in het onderzoeksdossier aanwezig moet zijn, dient

de op het particulier onderzoeksbureau rustende informatieplicht duidelijk naar voren te

komen.

4. indien sprake is van een achtergrondonderzoek wordt de onderzochte persoon in algemene

bewoordingen medegedeeld wat de aard van het onderzoek is waaraan hij onderworpen is,

wat daarvan de reden is en wie als opdrachtgever fungeert. Verder wordt de onderzochte

persoon medegedeeld dat hij zich voor nadere informatie tot de opdrachtgever dient te

wenden;

5. indien er geen sprake is van een achtergrondonderzoek vindt een afweging plaats of het op de

hoogte stellen van de onderzochte persoon – ondanks de informatieplicht – toch achterwege

dient te blijven omdat de belangen van het voorkomen, het opsporen en het vervolgen van

strafbare feiten dat noodzakelijk maken (artikel 43 aanhef en onder b WBP). De

aanwezigheid van een opsporingsbelang moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn

gemaakt. Voorts kan het op de hoogte stellen van de onderzochte persoon achterwege blijven

indien dat noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (artikel

43 aanhef en onder e WBP). In deze gevallen dient de informatieplicht tijdens het onderzoek

of na het onderzoek te geschieden;

6. indien de uitzonderingen op de informatieplicht niet van toepassing zijn, dient het particulier

onderzoeksbureau de onderzochte persoon op de hoogte te stellen voordat het onderzoek een

aanvang neemt. De onderzochte persoon wordt dan in algemene bewoordingen medegedeeld

wat de aard van het onderzoek is waaraan hij is onderworpen, wat daarvan de reden is en wie

als opdrachtgever fungeert. Verder wordt de onderzochte persoon medegedeeld dat hij zich

voor nadere informatie tot de opdrachtgever dient te wenden.

Na aanvang van het onderzoek:

Indien de onderzochte persoon niet voorafgaand aan het onderzoek op de hoogte is gesteld, wordt

hij tijdens het onderzoek geïnformeerd. Daarbij wordt als volgt gehandeld:

1. Indien gegevens omtrent het onderzoek worden vastgelegd in de opdrachten c.q.

voorvallenregistratie, wordt vastgesteld of het risico aanwezig is dat de onderzochte persoon

de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de waarheidsvinding te

belemmeren;

2. in dat geval wordt de onderzochte persoon op de hoogte gesteld van het uitgevoerde

onderzoek zodra dit in het kader van het onderzoek verantwoord is. Het moment waarop dit

wordt gedaan, wordt in overleg met de opdrachtgever bepaald. Vaak zal dit moment

samenvallen met het moment dat de onderzochte persoon geïnterviewd wordt over het

voorval. De onderzochte persoon wordt dan in algemene bewoordingen medegedeeld wat de

aard van het onderzoek is waaraan hij is onderworpen, wat daarvan de reden is en wie als

opdrachtgever fungeert. Verder wordt de onderzochte persoon medegedeeld dat hij zich voor

nadere informatie tot de opdrachtgever dient te wenden.

Na afronding van het onderzoek:

1. De onderzochte persoon wordt in ieder geval in kennis gesteld van het onderzoek direct nadat

het onderzoeksrapport is aangeboden aan de opdrachtgever;

2. bij de inkennisstelling wordt de onderzochte persoon in algemene bewoordingen

medegedeeld wat de aard van het onderzoek is waaraan hij is onderworpen, wat daarvan de

reden is en wie als opdrachtgever fungeert. Verder wordt de onderzochte persoon

medegedeeld dat hij zich voor nadere informatie tot de opdrachtgever dient te wenden. Indien

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 44

is vastgesteld dat de onderzochte persoon betrokken is geweest bij het plegen van strafbare of

laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften dan wel pogingen

daartoe, wordt de betrokkene medegedeeld dat gedurende een periode van vijf jaar

antecedenten bewaard worden, welke gegevens deze antecedenten omvatten en dat deze

gegevens verstrekt kunnen worden in het kader van achtergrondonderzoeken;

3. in uitzonderingsgevallen blijft ook dan de mededeling achterwege. Dat is onder andere het

geval indien van het voorval door of namens de opdrachtgever aangifte wordt gedaan bij de

politie en vroegtijdige inkennisstelling van de onderzochte persoon het opsporings- of

vervolgingsbelang schaadt (artikel 43 aanhef en onder b WBP) of indien dit noodzakelijk is

in het belang van de rechten en vrijheden van anderen dan de onderzochte persoon, de

verantwoordelijke en de opdrachtgever daaronder begrepen. Dit wordt van geval tot geval in

overleg met de opdrachtgever bepaald. De noodzaak om de mededeling achterwege te laten

indien sprake is van opsporings- of vervolgingsbelangen moet door een opsporingsambtenaar

kenbaar zijn gemaakt. De gemaakte belangenafweging (beoordeling en motivering) om af te

zien van het informeren van de onderzochte persoon wordt zo duidelijk mogelijk vastgelegd

in het onderzoeksdossier.

4. overdracht van de informatieplicht aan de opdrachtgever is toegestaan. Van het particulier

onderzoeksbureau wordt verwacht dat het zich inspant dat de onderzochte persoon door de

opdrachtgever daadwerkelijk en adequaat geïnformeerd wordt. Uit het onderzoeksdossier

moet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld dat de opdrachtgever de

onderzochte persoon heeft geïnformeerd.

Toelichting:

De artikelen 33 en 34 WBP bepalen dat het particulier onderzoeksbureau verplicht is diens

identiteit op eigen initiatief bekend te maken aan de onderzochte persoon en deze te informeren

over de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens. De verplichting om dit op eigen

initiatief te doen is een belangrijk instrument om het vastleggen van persoongegevens door het

particulier onderzoeksbureau transparant te maken opdat de onderzochte persoon de rechten

kan uitoefenen die in paragraaf 9 zijn opgenomen. Door de vastlegging van persoonsgegevens

door een particulier onderzoeksbureau, vooral in die gevallen dat de vermeende misdraging niet

kon worden aangetoond, bestaat het risico dat de onderzochte persoon geen weet heeft van de

gegevensverwerking, terwijl de gegevens in de toekomst mogelijk wel gebruikt worden om hem te

beoordelen. Het feit dat onderzoek is gedaan naar mogelijke misdragingen van betrokkene kan

immers aanleiding zijn hem te beschouwen als iemand met een verhoogd risico op fraude die

extra aandacht verdient. Een onderzochte persoon heeft het recht om te weten waaraan hij deze

aandacht te danken heeft.

De WBP onderscheidt twee vormen van informatieverstrekking. Als gegevens rechtstreeks bij een

ander verkregen worden – bijvoorbeeld door deze te interviewen – dient deze op de hoogte te

worden gesteld op het moment van vergaring van gegevens. Dit is voor het interviewen van

personen uitgewerkt in paragraaf 7.3. Indien gegevens buiten de betrokkene om worden

verkregen, hetzij bij derden, hetzij door eigen waarneming, dient de betrokkene geïnformeerd te

worden, ofwel op het moment van vastlegging van die gegevens, ofwel wanneer de gegevens

bestemd zijn om aan een derde te worden verstrekt, uiterlijk op het moment van de eerste

verstrekking aan die derde.

Over de wijze waarop de informatie wordt verstrekt, wordt geen normering voorgeschreven,

omdat dit per geval verschillend kan zijn. De informatieverstrekking kan mondeling in een

rechtstreeks contact tussen (medewerkers van) het particulier onderzoeksbureau en de

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 45

onderzochte persoon geschieden, maar kan ook schriftelijk gedaan worden. Bij de mededeling

van het doel van de gegevensverwerking kan aansluiting worden gevonden bij de

opdrachtomschrijving zoals deze is opgenomen in de opdrachtbevestiging tussen het particulier

onderzoeksbureau en de opdrachtgever.

Van de mededelingsplicht kan in twee gevallen worden afgezien. In het eerste geval blijft de

mededeling (tijdelijk) achterwege omdat opsporingsbelangen dat noodzakelijk maken (artikel 43

aanhef en onder b WBP). Indien namens de opdrachtgever aangifte gedaan wordt, betekent dat

niet automatisch dat de politie direct een aanvang neemt met opsporingsactiviteiten. In dat geval

is het risico aanwezig is dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om

maatregelen te nemen om de waarheidsvinding door de politie te belemmeren, bijvoorbeeld door

bewijsmateriaal zoek te maken of door mededaders te informeren. De aanwezigheid van een

opsporingsbelang moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn gemaakt.

Voorts kan het op de hoogte stellen van de onderzochte persoon (tijdelijk) achterwege blijven,

indien dat noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, zoals de

opdrachtgever (artikel 43 aanhef en onder e WBP). Indien de mededeling bijvoorbeeld direct na

het aanvaarden van de opdracht gedaan wordt is ook hier het risico aanwezig dat de

onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen om de

waarheidsvinding te belemmeren. Het noodzaakcriterium vergt een belangenafweging aan de

hand van de omstandigheden van het concrete geval. Het particulier onderzoeksbureau zal per

geval aannemelijk moeten kunnen maken dat het niet informeren van betrokkene noodzakelijk is.

De gemaakte belangenafweging moet in het onderzoeksdossier zijn vastgelegd. Een algemeen

argument dat de vertrouwensrelatie kan worden verstoord is – zonder concrete onderbouwing –

onvoldoende grondslag voor een beroep op de uitzonderingsbepaling van artikel 43 aanhef en

onder e WBP.

Het komt voor – met name bij onderzoeken naar mogelijke fraude met uitkeringen - dat geen

verwijtbaat gedrag is geconstateerd, terwijl het vermoeden van fraude blijft bestaan. Het is dan

onwenselijk betrokkene direct na afloop van het onderzoek te informeren. Op basis van nieuwe

signalen moet het mogelijk zijn op redelijke termijn na afloop van het onderzoek een nieuw

onderzoek plaats te doen vinden. Indien de onderzochte persoon direct na afloop van het

onderzoek op de hoogte zou worden gesteld van de gegevensvastlegging is niet ondenkbaar dat

hij zijn gedrag gedurende langere tijd aanpast. Vervolgonderzoek is dan zinloos, met als gevolg

dat hij ten onrechte gebruik blijft maken of heeft gemaakt van de uitkering. Voor dit soort

situaties is opgenomen dat overdracht van de informatieplicht aan de opdrachtgever toegestaan

is. Deze zal de informatieplicht opschorten. Het opschorten is gebaseerd op art. 43 aanhef en

onder e WBP. Om te voorkomen dat van uitstel afstel komt wordt van het particulier

onderzoeksbureau verwacht dat het zich actief inspant om te bewerkstelligen dat de

opdrachtgever betrokkene informeert zodra het dossier is gesloten.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 46

9 Rechten van de onderzochte perso(o)n(en)

9.1 Mededelingen uit de opdrachten- c.q voorvallenregistratie (uitwerking artikel 35 en 43

WBP)

Wettelijk kader

Artikel 35 van de WBP bepaalt dat een ieder het recht heeft zich vrijelijk en met redelijke

tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem

betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Artikel 35 WBP kan op grond van artikel 43 WBP buiten beschouwing worden gelaten voor

zover dit noodzakelijk is in het belang van:

- de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten

- de rechten en vrijheden van anderen dan de onderzochte persoon, de verantwoordelijke en

de opdrachtgever daaronder begrepen.

Sectornormering

De onderzochte persoon kan het verzoek tot het doen van mededelingen uit de opdrachten- c.q.

voorvallenregistratie mondeling of schriftelijk doen.

In alle gevallen dient het particulier onderzoeksbureau zich te overtuigen van de juistheid van de

identiteit van verzoeker door overlegging door deze van een identiteitsbewijs.

Binnen vier weken wordt de onderzochte persoon op het door hem opgegeven adres schriftelijk

medegedeeld of, en zo ja welke hem betreffende gegevens worden verwerkt.

Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan

in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de

categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of

categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de

gegevens.

De onderzochte persoon heeft het recht het op hem betrekking hebbende onderzoeksdossier in te

zien, indien de schriftelijke mededeling hem of haar daartoe aanleiding geeft.

De schriftelijke mededeling of de inzage blijft achterwege, indien opsporings- en

vervolgingsbelangen dan wel particuliere onderzoeksbelangen, het belang van bronbescherming

of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de onderzochte persoon, de

verantwoordelijke en de opdrachtgever daaronder begrepen, het noodzakelijk maken dat een

dergelijke mededeling achterwege blijft (artikel 43 aanhef en onder b en e WBP). Dit wordt van

geval tot geval bepaald. De noodzaak om de mededeling achterwege te laten wegens opsporingsen

vervolgingsbelangen moet door een opsporingsambtenaar kenbaar zijn gemaakt.

Toelichting:

Een verzoek van iemand met de vraag of diens persoonsgegevens worden verwerkt, is vormvrij.

Dat betekent dat zo’n verzoek mondeling (ook telefonisch) en schriftelijk (ook per e-mail) gedaan

kan worden. Indien iemand echter telefonisch informeert kan niet geverifieerd worden of de

verzoeker daadwerkelijk degene is voor wie hij of zij zich uitgeeft. In dat geval is het risico

aanwezig dat persoonsgegevens in verkeerde handen komen, waardoor het belang van de

onderzochte persoon geschaad kan worden. Om die reden is opgenomen dat het particulier

onderzoeksbureau zich dient te overtuigen van de juistheid van de identiteit van de verzoeker

door overlegging door deze van een identiteitsbewijs.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 47

In eerste instantie wordt de verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat op hem of haar betrekking

hebbende persoonsgegevens worden verwerkt, onder vermelding van een omschrijving van het

doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking

betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare

informatie over de herkomst van de gegevens.

Bij de mededeling van het doel of de doeleinden van de gegevensverwerking kan aansluiting

worden gevonden bij de opdrachtomschrijving zoals deze is opgenomen in de

opdrachtbevestiging tussen het particulier onderzoeksbureau en de opdrachtgever. Een

particulier recherchebureau kan overwegen om deze schriftelijke mededeling aangetekend te

versturen naar het door de verzoeker opgegeven adres.

Als een onderzochte persoon vervolgens expliciet vraagt om inzage in de gegevens die over hem

worden verwerkt, kan deze inzage gegeven worden. Verschillende mogelijkheden zijn denkbaar:

het laten inzien van het onderzoeksdossier of het opsturen van een fotokopie (van een deel van

het onderzoeksdossier).

In artikel 43 WBP zijn uitzonderingen genoemd op grond waarvan het noodzakelijk is dat het

verstrekken van mededelingen of het doen inzien van stukken achterwege dient te blijven. Dit is

maatwerk en geen kwestie van “alles of niets”. Per vastgelegd gegeven of categorie van

gegevens moet getoetst worden of een weigeringgrond van toepassing is. De noodzaak om te

weigeren kan aanwezig zijn indien sprake is van nog lopende onderzoeken, waarbij het risico

aanwezig is dat de onderzochte persoon de mededeling zal aangrijpen om maatregelen te nemen

om de waarheidsvinding te belemmeren. Voorts kan door inzage in het onderzoeksdossier de

situatie ontstaan dat de rechten van anderen geschonden worden. Daarbij kan gedacht worden

aan tipgevers of aan personen die ten nadele van de onderzochte persoon verklaringen hebben

afgelegd. Indien belangen van anderen geschaad worden door inzage of afgifte van kopieën van

bescheiden kunnen passages waar mogelijk geanonimiseerd of verwijderd worden, indien de

bescherming van die belangen noodzakelijk is.

9.2 Correctie en verwijdering (uitwerking artikel 36 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 36 van de WBP bepaalt dat degene aan wie overeenkomstig artikel 35 WBP kennis is

gegeven dat op hem betreffende persoonsgegevens zijn opgenomen in de opdrachten- c.q.

voorvallenregistratie, de verantwoordelijke kan verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te

verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden

van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel anderszins in strijd met een

wettelijke voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Sectornormering

De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek

schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of

afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Indien het verzoek wordt geweigerd wordt verwezen naar de geschillenregeling van hoofdstuk 11

van deze gedragscode.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 48

9.3 Recht van verzet (uitwerking van artikel 40 WBP)

Wettelijk kader

Artikel 40 WBP bepaalt dat iemand te allen tijde verzet kan aantekenen bij het particulier

onderzoeksbureau in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden, indien gegevens

worden verwerkt op grond van artikel 8 aanhef en onder f WBP.

Sectornormering

Het particulier recherchebureau beoordeelt binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het

verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt het particulier

recherchebureau terstond de verwerking. Indien het verzet niet ingewilligd wordt, wordt

verwezen naar de geschillenregeling van hoofdstuk 11 van deze gedragscode.

Toelichting

Verzet is mogelijk tegen verwerkingen die gebaseerd zijn op artikel 8 aanhef en onder f WBP. In

paragraaf 5.3 van deze gedragscode is vastgelegd dat dit artikel de verwerkingsgrondslag is

voor alle soorten van onderzoeken waarvoor een particulier onderzoeksbureau wordt

ingeschakeld. In paragraaf 5.3 is vastgelegd dat het particulier onderzoeksbureau bij de

aanvaarding én de uitvoering van opdrachten telkens een belangenafweging moet maken tussen

de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever en de belangen van de onderzochte

persoon. Ondanks deze belangenafweging blijft de mogelijkheid bestaan - hoe zorgvuldig en

nauwkeurig deze afweging ook heeft plaatsgevonden – dat in een individueel geval een

belangenafweging anders had moeten uitvallen. De oorzaak kan liggen in een omstandigheid die

het particulier onderzoeksbureau niet bekend was en niet bekend had kunnen zijn. Het

aantekenen van verzet door de onderzochte persoon betekent dat het particulier

onderzoeksbureau een hernieuwde afweging moet maken in het concrete geval. Het is aan de

onderzochte persoon om de bijzondere persoonlijke omstandigheden aan het particulier

onderzoeksbureau ter kennis te brengen. Het aantekenen van verzet is vormvrij en kan derhalve

ook mondeling gedaan worden.

Een onderzochte persoon zou bijvoorbeeld belang kunnen hebben bij het recht van verzet indien

hij na de aanvang van het onderzoek - en nog voordat het onderzoeksrapport wordt aangeboden

aan de opdrachtgever - overeenkomstig paragraaf 8.1 van deze gedragscode geïnformeerd wordt

over het ingestelde onderzoek en de voorgenomen verstrekking van gegevens aan de

opdrachtgever. Hij kan er belang bij hebben, dat bepaalde gegevens niet bekend worden aan de

opdrachtgever wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Zo zou de onderzochte persoon

ook verzet aan kunnen tekenen indien hij na afronding van een onderzoek van het particulier

onderzoeksbureau overeenkomstig paragraaf 8.1 van deze gedragscode verneemt dat

antecedenten gedurende een periode van vijf jaar bewaard worden en dat deze verstrekt kunnen

worden in het kader van achtergrondonderzoeken.

Het particulier onderzoeksbureau is niet verplicht de aangevochten verwerking (bijvoorbeeld een

voorgenomen verstrekking of een voorgenomen onderzoekshandeling) op te schorten nadat

verzet is aangetekend. Indien degene die verzet aantekent een dringend belang heeft bij het

onmiddellijk staken van de verwerking dan dient hij een voorlopige voorziening te vragen bij de

rechter (bijvoorbeeld via een kort geding).

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 49

10 Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie

Algemeen

De sector particuliere onderzoeksbureaus wisselt regelmatig persoonsgegevens (al dan niet in de

vorm van onderzoeksrapporten) uit met opdrachtgevers in het buitenland op basis van (in

Nederland) uitgevoerd particulier onderzoek.

Wettelijk kader

Artikel 76 van de WBP bepaalt dat doorgifte van persoonsgegevens naar landen buiten de

Europese Unie slechts mogelijk is, indien in het betreffende land een passend

beschermingsniveau ten aanzien van de doorgegeven persoonsgegevens gewaarborgd is.

Sectornormering

In afwijking van deze bepaling kunnen persoonsgegevens worden doorgegeven indien:

1. De doorgifte noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitvoering of de verdediging in rechte

van enig recht;

2. indien de doorgifte noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de onderzochte

persoon;

3. de onderzochte persoon daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft gegeven; of

4. de Minister van Justitie daarvoor een vergunning ex-artikel 77 lid 2 van de WBP heeft

afgegeven.

Toelichting:

De WBP vloeit voort uit Richtlijn nr. 95/46/EG, PbEG L281 van het Europees Parlement en de

Raad van de Europese Unie van 23 november 1995. De ontwikkeling van een vrije interne markt

binnen de Europese Unie vereist dat de uitwisseling van persoonsgegevens niet belemmerd wordt

door nationale grenzen. Om die reden is grensoverschrijdend gegevensverkeer tussen de

lidstaten van de Europese Unie door de sector particuliere onderzoeksbureaus toegestaan, een

en ander met inachtneming van de WBP en de bepalingen van deze gedragscode. Paragraaf 10

heeft om die reden betrekking op het gegevensverkeer met landen van buiten de Europese Unie.

In artikel 77 van de WBP is aangegeven wanneer doorgifte van gegevens naar landen buiten de

Europese Unie kan plaatsvinden, indien het “derde”-land geen passend beschermingsniveau

biedt. Een actuele lijst met landen buiten de EU waarvoor wel een passend beschermingsniveau

geldt is te bevragen bij het Ministerie van Justitie en is te vinden op de website van het CBP

(www.cbpweb.nl).

Een aantal van deze grondslagen uit artikel 76 WBP is hiervoor weergegeven aangezien die het

meest van belang zijn voor de sector particuliere onderzoeksbureaus. De grondslagen zijn voor

een groot deel dezelfde als aangegeven in paragraaf 5.3. Voor voorbeelden wordt

volledigheidshalve daarnaar verwezen. In aanvulling daarop geldt voor de grondslag onder één

dat opdrachtgevers hun rechten in een rechterlijke procedure niet kunnen effectueren, indien zij

niet beschikken over bepaalde gegevens van hun wederpartij.

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 50

11 Geschillenbeslechting respectievelijk verzoeken bij het CBP en de rechter

Indien een onderzochte persoon van menig is dat een particulier onderzoeker respectievelijk

particulier onderzoeksbureau heeft gehandeld in strijd met deze gedragscode dan wel anderszins

in strijd met de WBP, dient hij zich in eerste instantie te wenden tot de directeur van het

particulier onderzoeksbureau.

De directeur van het particulier onderzoeksbureau beslist binnen zes weken na de ontvangst van

het klaagschrift. De beslissing op de klacht wordt schriftelijk aan de klager medegedeeld.

Binnen zes weken na de ontvangst van de beslissing van de directeur van het particulier

onderzoeksbureau kan een beroepsschrift worden ingediend bij de Beroepscommissie van de

VPB, indien het particulier onderzoeksbureau lid is van de VPB.

De Beroepscommissie van de VPB bestaat uit drie door het bestuur van de VPB aangewezen

onafhankelijke leden. De algemeen secretaris van de VPB vervult het secretariaat van de

Beroepscommissie. De uitspraak van de Beroepscommissie is bindend.

Onderzochte perso(o)n(en) kan/kunnen zich ook wenden tot het CBP met het verzoek om te

bemiddelen of te adviseren in het geschil met het particulier onderzoeksbureau. Het verzoek

daartoe moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de

directeur van het particulier onderzoeksbureau dan wel binnen zes weken na het verstrijken van

de termijn van vier weken zoals genoemd in de paragrafen 9.1 en 9.2.

Een verzoek aan de Beroepscommissie van de VPB of aan het CBP laat onverlet dat onderzochte

perso(o)n(en) zich ook rechtstreeks kan/kunnen wenden tot de rechtbank in het arrondissement

waarin het particulier onderzoeksbureau is gevestigd, indien hij/zij van mening is/zijn dat een

particulier onderzoeker respectievelijk particulier onderzoeksbureau heeft gehandeld in strijd met

deze gedragscode of anderszins in strijd met de wet of het recht.

Indien een verzoek bij de rechter betrekking heeft op inzage, verbetering, aanvulling,

afscherming of verwijdering van gegevens als bedoeld in de paragrafen 9.1 en 9.2 gelden voor de

indiening de volgende termijnen. Het verzoek moet bij de rechtbank in het arrondissement waarin

het particulier onderzoeksbureau is gevestigd worden ingediend binnen zes weken na ontvangst

van het antwoord van het particulier onderzoeksbureau dan wel binnen zes weken na het

verstrijken van de termijn van vier weken zoals genoemd in de paragrafen 9.1 en 9.2.

Indien bemiddeling of advies gevraagd is bij het CBP of een beroepsschrift is ingediend bij de

Beroepscommissie van de VPB, kan het verzoek dat betrekking heeft op inzage, verbetering,

aanvulling, afscherming of verwijdering van gegevens als bedoeld in de paragrafen 9.1 en 9.2 bij

de arrondissementsrechtbank aanhangig worden gemaakt tot uiterlijk zes weken nadat bericht

van de Beroepscommissie of het CBP is ontvangen dat de behandeling van de zaak beëindigd is.

Toelichting:

De particuliere onderzoeksbureaus die onder de reikwijdte van de Wpbr vallen dienen op grond

van deze wet te beschikken over een klachtenregeling. Klachten over het handelen of nalaten van

een particulier onderzoeksbureau dienen derhalve in eerste instantie kenbaar te worden gemaakt

bij de directeur van het particulier onderzoeksbureau.

Op grond van de standaard klachtenregeling die als bijlage 4 is opgenomen bij de Circulaire

particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus van de Minister van Justitie is de

termijn voor het indienen van een klaagschrift bepaald op zes weken, te rekenen vanaf de datum

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 51

waarop de gedraging waarover geklaagd wordt heeft plaatsgevonden. Het is de eigen

verantwoordelijkheid van de klager om bij het particulier onderzoeksbureau over wiens

gedraging(en) geklaagd wordt te verifiëren of dat particulier recherchebureau eveneens deze

termijn heeft opgenomen in hun specifieke klachtenregeling.

Indien de klager ontevreden is over de wijze waarop de klacht is afgehandeld staat beroep open

op de Beroepscommissie van de VPB. De uitspraak van de Beroepscommissie is bindend voor het

particulier onderzoeksbureau. Dat laat onverlet het recht van de onderzochte persoon om zich

met zijn grieven te wenden tot het CBP en/of de rechter. Indien het oordeel van het CBP of het

besluit van de rechter afwijkt van de bindende uitspraak van de Beroepscommissie vervalt voor

het particulier onderzoeksbureau het bindende karakter van die uitspraak. De klachtenregeling

van de VPB en het reglement voor de Beroepscommissie zijn op te vragen bij de VPB.

Voor wat betreft de termijnen waarin de onderzochte persoon zijn grieven kenbaar moet maken

moet onderscheid gemaakt worden tussen verzoeken om inzage, verbetering, aanvulling,

afscherming of verwijdering van gegevens als bedoeld in de paragrafen 9.1 en 9.2 van deze

gedragscode en overige rechtsvorderingen. Voor verzoeken als bedoeld in de paragrafen 9.1 en

9.2 van deze gedragscode gelden de termijnen genoemd in de artikelen 46 en 47 WBP. Voor het

aanhangig maken van overige rechtsvorderingen gelden de termijnen die genoemd zijn in het

Burgerlijk Wetboek.

12 Naleving gedragscode

De bepalingen van de privacygedragscode dienen door de leden van de sectie particuliere

onderzoeksbureaus van de VPB te worden vertaald in een systeem van administratieve

organisatie en interne controle. De VPB heeft een praktijkhandleiding (“toolkit”) voor haar leden

ontwikkeld die de leden kunnen gebruiken zodat zij in staat gesteld worden op adequate wijze

invulling te geven aan de bepalingen van de privacygedragscode. De praktijkhandleiding bestaat

uit:

· Een modelaanmelding voor melding van de opdrachten- c.q. voorvallenregistratie bij het

CBP;

· een modelinstructie voor particulier onderzoekers;

· aandachtspunten voor dossierbeheer en

· een modelzelfevaluatie.

In het kader van (extern) toezicht op de naleving van de privacygedragscode dient de omvang

van de werkzaamheden eenvoudig te kunnen worden vastgesteld. Om die reden dienen de

onderzoeksdossiers in de opdrachten- en voorvallenregistratie doorlopend te zijn genummerd of

dient een andersoortige inzichtelijke nummering van onderzoeksdossiers te worden aangehouden.

Toelichting:

De zelfevaluatie kan door het management van het particulier onderzoeksbeau zelf uitgevoerd

worden. De uitkomsten van de zelfevaluatie geven een duidelijk beeld over de huidige situatie en

de noodzakelijke verbeterpunten. De zelfevaluatie bestaat uit een een set aan vaststellingen,

waarvan het van belang is dat iedere vaststelling door het management van het particulier

onderzoeksbureau wordt “afgefinkt” als blijk van bevestiging dat daadwerkelijk is vastgesteld

dat wordt voldaan aan de eisen die uit de WBP en uit de privacygedragscode voortvloeien. De

opbouw van de vaststellingen is – naast het algemene deel en het beveiligingsdeel – zodanig dat

de chronologische volgorde van een doorsnee onderzoek gevolgd wordt. Per vaststelling wordt

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties 52

aangegeven wat de vindplaats in de privacygedragscode of in andere relevante documenten is.

Door de invoering door de VPB van het Keurmerk Particuliere Onderzoeksbureaus wordt

onafhankelijk toezicht op de administratie organisatie en interne controle verder gewaarborgd.

13 Openbaarheid gedragscode

Deze gedragscode is openbaar en opvraagbaar bij de VPB, Stephensonweg 14, 4207 HB te

Gorinchem of Postbus 693, 4200 AR te Gorinchem. Het telefoonnummer van de VPB is 0183-

646670, het faxnummer van de VPB is 0183-6196617.

14 Wijzigingen gedragscode

Het bestuur van de VPB kan besluiten tot een aanpassing of een wijziging van deze gedragscode.

Een dergelijk besluit wordt genomen nadat de aanpassingen of wijzigingen zijn goedgekeurd

door het CBP. Aanpassingen of wijzigingen van deze gedragscode zijn bindend voor de sector

particuliere onderzoeksbureaus.

Conversiebuttons  Informatie aanvragen

♦ Postbus 189, 3700 AD ZEIST ♦ Tel: 030-2766537  KvK 54611687 ♦ IBAN: NL53RABO0157749231 ♦ BTW 851371309B01 ♦                           Vergunning door het Ministerie van Veiligheid en Justitie met POB-nr 1239  ♦ Rebuss is aangemeld bij College Bescherming Persoonsgegevens met nummer M1449464 ♦  

Website laten maken en hoog in Google door Best4u Group B.V. | Sitemap